Rb. Noord-Holland 12 juni 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3953
Verklaringsprocedure; pauliana; wetenschap van benadeling; positie derde-beslagene ten aanzien van tegenbewijs tegen bewijsvermoeden van wetenschap van benadeling Het instellen van een vordering tot verklaring voor recht dat de verpanding van een vordering rechtsgeldig is vernietigd is in de onderhavige verklaringsprocedure ex artikel 477a Rv niet mogelijk. FNI is immers in de verklaringsprocedure betrokken in haar hoedanigheid van derde-beslagene. Artikel 477a Rv bepaalt expliciet welke vorderingen de executant in die procedure jegens de derde-beslagene ten dienste staan. Daarmee verhoudt zich niet dat de executant in die specifieke procedure ook anderszins jegens de derde-beslagene zou kunnen ageren, zoals in dit geval uit hoofde van de vernietiging wegens paulianeus handelen. Niettemin is voor de beoordeling in de verklaringsprocedure van belang of de verpanding rechtsgeldig door GAP is vernietigd. De rechtbank komt daarom toch toe aan de beoordeling van die vraag. De stelling van de vennootschap naar Belgisch recht Ulysses dat het wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling zoals omschreven in artikel 3:46 lid 1 onder 5 b BW zich uitsluitend uitstrekt tot bestuurders en/of commissarissen van Nederlandse vennootschappen volgt niet uit de wet of jurisprudentie en is overigens ook op geen enkele wijze door Ulysses onderbouwd. Het verweer van FNI, Leyduin en Ulysses dat het wettelijk vermoeden niet opgaat, omdat materieel geen sprake was van een zelfstandig bevoegd bestuurder gaat evenmin op. De omstandigheden – wat daar ook van zij – dat Ulysses feitelijk enkel werd bestuurd door bestuurder C en dat bestuurder B geen enkele uitvoerende en/of beslissende rol bij Ulysses had, doen er immers niet aan af dat bestuurder B ten tijde van de verpanding (indirect) bestuurder was van zowel Leyduin als van Ulysses, zodat sprake was van een nauwe relatie tussen Leyduin en Ulysses als bedoeld in artikel 3:46 lid 1 onder 5 b in samenhang gelezen met het vijfde lid van dat artikel. Er is daarom sprake van het wettelijk vermoeden dat zowel Leyduin als Ulysses in september 2011 wist of behoorde te weten van de benadeling die de verpanding van de vordering op FNI voor de schuldeisers van Leyduin zou betekenen. Leyduin en Ulysses hebben ieder voor zich tegenbewijs aangeboden tegen het vermoeden van wetenschap. Nu zij als tussenkomende partijen als volwaardige procespartijen aan deze procedure deelnemen, zal de rechtbank hen tot dat tegenbewijs toelaten. Ook FNI derde-beslagene heeft bewijs aangeboden van de stelling dat bij Leyduin en Ulysses ten tijde van de verpanding van de vordering geen wetenschap van benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheid aanwezig is geweest. Nu zij evenwel geen partij is bij de verpanding van de vordering en evenmin bij de buitengerechtelijke vernietiging daarvan wordt haar bewijsaanbod gepasseerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl