Rb. Noord-Holland 6 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ4422

De executeur was bevoegd tot het doen van aangifte IB. Onder het beheren en voldoen van de schulden van de nalatenschap behoort ook het zorgdragen voor de vaststelling van de inkomstenbelastingverplichtingen op datum overlijden. Dat neemt niet weg dat de uitoefening van de keuzebevoegdheid uit artikel 4.38 in verband met artikel 4.17 Wet IB 2001 in de regel geen bevoegdheid van de executeur is, omdat hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 4.38 Wet IB 2001 bij die keuze is aan te merken. Onder de gegeven omstandigheden mocht de executeur er evenwel van uitgaan dat de aangifte ook voor wat betreft die keuze de instemming had van de erfgenamen en dat hij de aangifte namens hen mocht indienen. Van overschrijding van zijn bevoegdheid en dus onrechtmatig handelen van de executeur bij het doen van de aangifte is daarom geen sprake. Voor wat betreft de verdeling van de aandelen in de nalatenschap kon van de notaris gelet op de omstandigheden van het geval verwacht worden, en ook niet meer dan dat, dat hij zorg droeg voor een eerlijk en transparant biedingsproces waarin de drie erfgenamen tot een weloverwogen beslissing over het beste bod zouden komen. De notaris mocht er van uit gaan dat beide biedingen, juist omdat daarover in de beide biedingen geen expliciete vermeldingen waren opgenomen, gebaseerd waren op hetzelfde fiscaalwettelijk uitgangspunt, zoals neergelegd in de artikelen 4.16, 4.17 en 4.38 Wet IB 2001 en hetzelfde, althans bij partijen levende, uitgangspunt over de al dan niet afwikkeling van de ab-claim. Door daar geen nader onderzoek naar te doen of nader advies in te winnen of te geven, heeft hij gelet op de omstandigheden van het geval en de (beperkte) opdracht dus niet anders gehandeld dan van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen