Rb. Noord-Holland 7 februari 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ2976
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verblijfsverleden van familieleden van eisers in Nederland niet zonder nadere motivering heeft kunnen betrekken bij de beoordeling of tijdige terugkeer van eisers naar China is gewaarborgd. De rechtbank acht hierbij van belang dat deze familieleden weliswaar gedurende enige tijd onrechtmatig in Nederland hebben verbleven, maar dat zij thans rechtmatig verblijf hebben. Hierbij wordt voorts meegewogen dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat het verblijf van de zus van eiseres in Nederland is verzwegen. Op de vragenlijst ten behoeve van eiser van 19 april 2012, was dit weliswaar niet vermeld, maar uit de vraagstelling behoefde eiser niet zonder meer op te maken dat ook schoonfamilie woonachtig buiten het land van herkomst, vermeld zou moeten worden. Op de vragenlijst ten behoeve van eiseres van 26 juli 2012 is, op een daartoe strekkende vraag, ingevuld dat de zus van eiseres in Nederland woont. Dit is nog eens bevestigd bij brief van de gemachtigde van eisers van 6 augustus 2012. De rechtbank constateert dat geen sprake is van een situatie waarbij, in het kader van de visumaanvraag, onjuiste informatie is verstrekt, dan wel dat sprake is van eerdere visumverlening aan familieleden van referente, die na verlening van een visum niet zijn teruggekeerd. In dit verband weegt bij de beoordeling mee, dat eisers reeds in 2008 op basis van een visum voor kort verblijf in Nederland hebben verbleven, waarna zij tijdig zijn teruggekeerd naar China. Voor zover verweerder ten aanzien van de sociale binding met China in aanmerking heeft genomen, dat ten tijde van de eerdere visumverlening nog één dochter in China woonde, terwijl zij nu ook in Nederland woont, heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd dat thans de sociale binding met China onvoldoende aangetoond zou zijn. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat eisers hun standpunt, dat zij ook overigens aan China gebonden zijn omdat zij de zorg hebben over hun bejaarde (schoon)moeder, die in China medisch wordt behandeld, voldoende met stukken hebben onderbouwd en dat verweerder deze zorgtaken niet heeft betwist. Verweerders standpunt ter zitting, dat niet is uitgesloten dat de vriendin van eisers, Zhu Xianghua, mogelijk bereid zou zijn langer dan twee maanden voor hun (schoon)moeder te zorgen, leidt niet tot een ander oordeel en is zonder nadere motivering als speculatief aan te merken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers hun sociale binding met China onvoldoende hebben aangetoond en dat aldus hun tijdige terugkeer naar China niet zou zijn gewaarborgd. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl