Rb. Noord-Holland 13 juni 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:5674
Boete op grond van de Meststoffenwet (Msw). Toepasselijkheid derogatienorm. Hoogte van de boete. Verweerder heeft aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 23.345,00 wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bemestingsplan dat eiseres alsnog heeft opgesteld en op 12 november 2010 bij verweerder heeft ingediend niet bij het nemen van het primaire en het bestreden besluit heeft hoeven te betrekken. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de wetsgeschiedenis aanknopingspunten biedt voor een strikte benadering waar het gaat om het tijdstip waarop het bemestingsplan dient te zijn opgesteld. Er bestaat een gerechtvaardigd belang bij het verbinden van consequenties aan het niet tijdig naleven van de verplichting om tijdig, dat wil zeggen vóór 1 februari van het betreffende jaar, een bemestingsplan op te stellen. De datum van (in dit geval) 1 februari 2009 heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook een fataal karakter. De rechtbank concludeert dat eiseres door niet vóór 1 februari 2009 een bemestingsplan op te stellen niet heeft voldaan aan de voorwaarde als neergelegd in artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Dit betekent, gelet op het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van die regeling, dat de derogatienorm in 2009 reeds hierom is vervallen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de opgelegde boete in het concrete geval niet evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl