Rb. Noord-Holland 5 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:13171
De keurend psychiater heeft bij het onderzoek ook aan eiser gevraagd wanneer hij effect van alcohol voelde. In het rapport van bevindingen staat onder 3.2.2.1: ‘Betrokkene bemerkte pas na meer dan 3 AE (= alcoholeenheden) effect van alcohol’ en ‘Toelichting: betrokkene merkte pas na 5 tot 6 AE het effect van alcohol’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze omschrijvingen niet eenduidig, want niet uit de rapportage blijkt of de keurend arts hierop heeft doorgevraagd. Welk effect van alcohol wordt er bedoeld? Eiser heeft hierover aangevoerd dat de keurend arts vroeg wanneer eiser effect van alcohol bemerkte. Hieruit blijkt niet of de arts met deze vraag doelde op het aangeschoten of dronken zijn. De rechtbank voegt hieraan toe dat ter zitting van de voorzieningenrechter op 5 augustus 2013 is gebleken dat de communicatie met eiser niet soepel verloopt. Eiser begrijpt de vragen niet altijd direct. Aan het gestelde onder 3.2.2.1 kan dan ook niet die waarde worden toegekend die verweerster hieraan kennelijk toekent. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verslag van bevindingen niet concludent is. Verweerster heeft het bestreden besluit hierop niet mogen baseren. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl