Rb. Noord-Holland 30 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:12987
Maatwerkvoorschriften. Onjuiste toepassing afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien verweerder het ontwerp van het besluit niet ter inzage heeft gelegd en voorafgaand aan de terinzagelegging geen kennis van dat ontwerp heeft gegeven, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:11, eerste lid en 3:12, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen. Het bestreden besluit is dus niet in overeenstemming met afdeling 3.4 van de Awb voorbereid. De rechtbank ziet geen aanleiding de schending van deze vormvoorschriften te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, nu niet is uitgesloten dat andere belanghebbenden door deze schending zijn benadeeld. Vanwege het ontbreken van de terinzagelegging van het ontwerp- besluit kan het zijn dat andere belanghebbenden niet zijn bereikt en daardoor geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15, eerste lid, van de Awb over het ontwerp hebben ingebracht. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het haar ambtshalve bekend is dat zich in een andere procedure waarbij verweerder ten aanzien van de onderhavige inrichting maatwerkvoorschriften heeft gesteld een andere belanghebbende heeft gemeld. De omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb wel ter inzage heeft gelegd en van dat besluit wel kennis heeft gegeven, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl