Rb. Midden-Nederland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:7189

Geschil over de terugbetaling van geldleningen. Vorderingen grotendeels toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/604765 / HL ZA 25-325
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.L.A. van Hurne,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. van Kersbergen.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7; - de akte van [eiseres] met overlegging nadere producties 21 tot en met 31;
- de akte van [gedaagde] met overlegging nadere producties 8 en 9;
- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2 Tijdens de mondelinge behandeling was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door haar advocaat. Haar tolk heeft telefonisch aan de mondelinge behandeling deelgenomen. Ook [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door haar advocaat. Haar tolk was fysiek ter zitting aanwezig.

1.3 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1 Partijen zijn kennissen van elkaar. [eiseres] heeft geld aan [gedaagde] geleend voor haar bedrijf. In deze procedure vordert [eiseres] terugbetaling van vier geldleningen: twee contante en twee girale geldleningen van in totaal € 356.571,00, vermeerderd met rente en kosten. Zij beroept zich daarbij onder meer op de door [gedaagde] op 17 maart 2025 getekende schuldbekentenis (hierna: IOU) en de ontvangstbewijzen voor contante geldleningen die [gedaagde] heeft ondertekend. [gedaagde] erkent dat zij geld van [eiseres] heeft geleend en de IOU en ontvangstbewijzen heeft getekend, maar vindt dat zij niet aan deze documenten kan worden gehouden en betwist dat zij het volledige gevorderde bedrag moet terugbetalen. Zij voert aan dat zij de twee contante geldleningen niet heeft ontvangen. Verder stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat zij een deel van het geleende geld al heeft terugbetaald.

2.2 De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe.

3 De beoordeling

[gedaagde] is gebonden aan de IOU en de ontvangstbewijzen

3.1 Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] verteld dat zij de IOU en ontvangstbewijzen alleen nodig had om haar familie in China gerust te stellen. [eiseres] zou geld van haar familie hebben geleend en wilde de documenten gebruiken om hen ervan te overtuigen dat zij dit geld zou terugbetalen. Tegen die achtergrond stelt [gedaagde] dat zij niet de bedoeling had zich juridisch te binden tot terugbetaling van die geldleningen en beroept zij zich op verschillende wilsgebreken. Ook vindt zij het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseres] zich op de documenten beroept.

Geen sprake van het ontbreken van de wil

3.2 [gedaagde] beroept zich in de eerste plaats op nietigheid van de IOU en de ontvangstbewijzen. Volgens [gedaagde] was haar wil bij het ondertekenen niet gericht op het aangaan van juridische verplichtingen. Om dit te onderbouwen, wijst zij op WeChat-berichten tussen partijen. Daaruit blijkt volgens haar dat de IOU alleen voor de familie was opgesteld en dat [eiseres] de IOU om die reden mee naar China had genomen.

3.3 De berichten waarop [gedaagde] zich beroept, ondersteunen haar standpunt niet. Uit die berichten blijkt inderdaad dat de IOU aan de familie van [eiseres] zou worden getoond, maar niet dat dit het enige doel van de documenten was. Een dergelijk document dient bovendien in het maatschappelijk verkeer ook voor het recht om een terugbetaling van geleend geld vast te leggen. Daarvan had [eiseres] zich ook bewust kunnen en moeten zijn. Daarbij komt dat uit de overige WeChat-geschiedenis tussen partijen (productie 23 bij de dagvaarding) blijkt dat partijen al in oktober 2023 spraken over het opstellen van een IOU, zonder dat daarbij de familie van [eiseres] werd genoemd. [gedaagde] wist ook dat zij geld van [eiseres] had geleend en dat zij dit moest terugbetalen. Zij kon daarom niet ervan uitgaan dat haar ondertekening geen juridische betekenis had. De wil van [gedaagde] was dus ook erop gericht om het geld te lenen met het idee dat zij dit weer moest terugbetalen. Van nietigheid wegens het ontbreken van haar wil is dus geen sprake.

Geen sprake van bedrog

3.4 [gedaagde] stelt dat [eiseres] haar opzettelijk heeft misleid over het doel en de aard van de documenten. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] haar laten geloven dat de IOU uitsluitend was bedoeld om haar familie gerust te stellen. Ook bij het herschrijven van de IOU in september 2025 en het achteraf opstellen van de ontvangstbewijzen voor de contante bedragen heeft [eiseres] volgens [gedaagde] verzwegen dat zij daarvan juridisch afdwingbare documenten wilde maken. [gedaagde] wijst daarbij erop dat zij elf dagen na het herschrijven van de IOU de eerste brief van de advocaat van [eiseres] ontving. Daaruit leidt zij af dat [eiseres] toen al andere bedoelingen met de documenten had.

3.5 Uit de WeChat-berichten blijkt echter niet dat [eiseres] [gedaagde] heeft voorgehouden dat het geruststellen van haar familie het enige doel van de documenten was. Evenmin blijkt dat [eiseres] bij het herschrijven van de IOU of het opstellen van de ontvangstbewijzen opzettelijk heeft verzwegen dat deze documenten juridische betekenis hadden. De brief van de advocaat maakt dat niet anders. Dat [gedaagde] deze elf dagen na het herschrijven van de IOU ontving, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiseres] haar bij het ondertekenen opzettelijk heeft misleid. [eiseres] maakte daarbij immers alleen gebruik van haar recht om terugbetaling te vorderen. Van bedrog is daarom niet gebleken.

Geen sprake van misbruik van omstandigheden

3.6 [gedaagde] stelt dat [eiseres] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin zij verkeerde. Volgens [gedaagde] was zij door de aanzienlijke bedragen die zij van [eiseres] had geleend financieel van haar afhankelijk en voelde zij zich daardoor verplicht de documenten te ondertekenen. Daarbij wijst zij erop dat partijen vriendinnen waren en elkaar vertrouwden en dat [eiseres] op de dag van ondertekening tijdsdruk heeft uitgeoefend.

3.7 Deze omstandigheden zijn onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen. Dat [gedaagde] aanzienlijke bedragen van [eiseres] had geleend, betekent op zichzelf niet dat zij daardoor in een afhankelijke positie verkeerde. [gedaagde] heeft, ook tijdens de mondelinge behandeling naar aanleiding van vragen van de rechter, niet concreet gemaakt waaruit die afhankelijkheid dan bestond. Ook de vriendschap tussen partijen en de gestelde tijdsdruk zijn onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van bijzondere omstandigheden die [gedaagde] tot ondertekening bewogen. Van misbruik van omstandigheden is daarom geen sprake.

Geen sprake van dwaling

3.8 [gedaagde] beroept zich ook op dwaling. Zij stelt dat zij bij het ondertekenen een onjuiste voorstelling had van het doel en de juridische betekenis van de documenten. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] die indruk bij haar gewekt en heeft [eiseres] nagelaten haar te vertellen dat de documenten juridische betekenis hadden. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt niet dat [eiseres] bij [gedaagde] de indruk heeft gewekt dat de documenten geen juridische betekenis hadden. Ook blijkt niet dat [eiseres] wist of moest begrijpen dat [gedaagde] daarvan uitging en haar daarover had moeten informeren. Het beroep op dwaling slaagt daarom niet.
Geen sprake van het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn

3.9 [gedaagde] stelt tot slot dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] zich op de IOU en de ontvangstbewijzen beroept, omdat zij deze heeft laten ondertekenen met de mededeling dat zij voor haar familie waren bedoeld. De berichten tussen partijen ondersteunen dat standpunt niet. Zoals hiervoor onder 3.3 overwogen is daaruit niet gebleken dat de documenten geen juridische betekenis hadden. Bovendien mocht van [gedaagde] , zeker als ondernemer, worden verwacht dat zij begreep dat het ondertekenen van dergelijke documenten juridische gevolgen kan hebben. Het is daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseres] zich op de documenten beroept.
Welk bedrag moet [gedaagde] terugbetalen?

3.10 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] aan de IOU en de ontvangstbewijzen is gebonden. Daarmee is nog niet bepaald welk bedrag zij aan [eiseres] moet terugbetalen. In de IOU is namelijk opgenomen dat [gedaagde] € 456.000,00 aan [eiseres] verschuldigd is. [eiseres] vordert in deze procedure echter terugbetaling van vier geldleningen van in totaal € 356.571,00. Het gaat om twee contante geldleningen van € 54.000,00 en € 67.000,00, een girale geldlening van € 166.171,00 en een girale geldlening van RMB 500.000, die [eiseres] heeft omgerekend naar € 69.400,00. [gedaagde] betwist dat zij de twee contante bedragen heeft ontvangen. Over de twee andere leningen staat niet ter discussie dat [gedaagde] het geld heeft geleend, maar verschillen partijen wel van mening over wat [gedaagde] daarvoor precies moet terugbetalen. Daarnaast stelt [gedaagde] dat zij een deel van haar schuld al heeft terugbetaald. De rechtbank beoordeelt deze geschilpunten hierna afzonderlijk.

De twee contante geldleningen van € 54.000,00 en € 67.000,00

3.11 [eiseres] stelt dat zij aan [gedaagde] € 54.000,00 en € 67.000,00 contant heeft geleend. Ter onderbouwing wijst zij op de door [gedaagde] ondertekende ontvangstbewijzen en de IOU. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht hoe zij de bedragen aan [gedaagde] heeft gegeven. Het bedrag van € 54.000,00 heeft zij, verdeeld over drie enveloppen, zelf aan [gedaagde] overhandigd. Het bedrag van € 67.000,00 heeft zij in de woning van [gedaagde] aan de dochter van [gedaagde] gegeven, omdat [gedaagde] op dat moment niet thuis was. De dochter heeft de envelop vervolgens op tafel gelegd.

3.12 [gedaagde] betwist dat zij deze bedragen heeft ontvangen. Volgens haar is het niet aannemelijk dat zulke grote bedragen contant zijn overhandigd. Ook wijst zij op de WeChat-berichten van 18 december 2024, waarin zij tegen [eiseres] heeft gezegd dat zij nooit contant geld heeft ontvangen en [eiseres] die mededeling niet heeft weersproken.

3.13 De ondertekende ontvangstbewijzen zijn voor de rechtbank doorslaggevend. Daarin heeft [gedaagde] zelf bevestigd dat zij € 54.000,00 en € 67.000,00 van [eiseres] heeft ontvangen. Een dergelijke akte levert in principe dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Er moet daarom van uit worden gegaan dat het juist is wat er in de akte staat. Dat [gedaagde] in het WeChat-bericht schrijft dat zij nooit contant geld heeft ontvangen en [eiseres] dit vervolgens niet weerspreekt, is niet genoeg om aan de doorslaggevende betekenis van de ondertekende ontvangstbewijzen voorbij te gaan. Ook de omvang van de bedragen maakt dat niet anders. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat [gedaagde] beide contante bedragen heeft ontvangen.
De geldlening van november 2023 van € 166.171,00 vermeerderd met de wettelijke rente

3.14 Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] in november 2023 haar verzekeringspolis in Hongkong heeft afgekocht en het vrijgekomen bedrag aan [gedaagde] heeft geleend. Zij spraken af dat [gedaagde] uiterlijk 30 april 2024 € 166.171,00 zou terugbetalen. Dit bedrag bestaat uit € 127.884,00 aan hoofdsom, € 12.710,00 aan verzekeringsverlies en € 25.577,00 aan rente. [gedaagde] maakt bezwaar tegen zowel de afgesproken rente van € 25.577,00 als de wettelijke rente die [eiseres] over het volledige bedrag van € 166.171,00 vordert.

3.15 [gedaagde] vindt het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseres] haar aan de afgesproken rente van € 25.577,00 houdt. Daarnaast beroept zij zich op misbruik van omstandigheden. Beide verweren baseert zij op haar gestelde financiële afhankelijkheid van [eiseres] . Eerder is al geoordeeld dat het enkele feit dat [gedaagde] aanzienlijke bedragen van [eiseres] had geleend niet betekent dat zij daardoor van haar afhankelijk was. Er is daarom geen reden om haar niet aan de afspraak over de rente van € 25.577,00 te houden. De rechtbank gaat uit van het totaal afgesproken bedrag van € 166.171,00.

3.16 [eiseres] mag over het volledige bedrag van € 166.171,00 ook wettelijke rente vorderen. [gedaagde] voert aan dat dit niet kan, omdat in dat bedrag al € 25.577,00 aan rente is opgenomen. Partijen hebben € 166.171,00 echter als het terug te betalen bedrag afgesproken. In de IOU staat dat [gedaagde] dit bedrag uiterlijk op 17 juni 2025 moest terugbetalen. Na het verstrijken van die termijn, is [gedaagde] in verzuim en over het volledige bedrag wettelijke rente verschuldigd.

De geldlening van april 2024 van RMB 500.000,00

3.17 Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] op 28 april 2024 een bedrag van RMB 500.000,00 aan [gedaagde] heeft geleend en dat [gedaagde] dit bedrag moet terugbetalen. [eiseres] vordert hiervoor € 69.400,00 en gaat daarbij uit van de wisselkoers op 28 april 2024. [gedaagde] betwist dat [eiseres] de lening voor dit vaste bedrag in euro’s kan vorderen en stelt dat bij betaling in euro’s moet worden uitgegaan van de wisselkoers van de dag van betaling.

3.18 Partijen hebben voor deze lening geen vast bedrag in euro’s afgesproken. Omdat [eiseres] in Nederland betaling vordert, mag zij op grond van artikel 6:123 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) betaling in euro’s verlangen. Dat betekent alleen niet dat zij de lening kan vastzetten op € 69.400,00 door uit te gaan van de wisselkoers van 28 april 2024. Voor de omrekening is op grond van artikel 6:124 BW de wisselkoers op de dag van betaling bepalend. De rechtbank gaat daarom uit van de tegenwaarde in euro’s van RMB 500.000 op de dag van betaling.

De betalingen aan derden strekken niet in mindering op de schuld

3.19 [gedaagde] stelt dat zij een deel van haar schuld al heeft terugbetaald door op verzoek van [eiseres] bedragen aan derden over te maken. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] haar verteld dat zij geld aan haar familie verschuldigd was en heeft zij [gedaagde] daarom gevraagd rechtstreeks aan hen te betalen. Uit de bankafschriften blijkt dat [gedaagde] op 6 maart 2025 een bedrag van RMB 507.312 aan [A] heeft overgemaakt en op 1 juli 2025 RMB 200.000 aan [B] . Voor de eerste betaling wijst [gedaagde] op een bericht van [eiseres] waarin staat “hij heeft het ontvangen”. Volgens [gedaagde] bevestigt dit dat zij op verzoek van [eiseres] heeft betaald. [eiseres] betwist dat deze betalingen bedoeld waren als aflossing op de geldlening. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij [B] wel kent, maar dat [gedaagde] voor zover zij weet ook geld van hem had geleend.

3.20 Het is aan [gedaagde] om duidelijk te maken dat zij met de betalingen aan [A] en [B] haar schuld aan [eiseres] afloste. Dat heeft zij niet gedaan. Het bericht “Hij heeft het ontvangen” is daarvoor niet genoeg, omdat daaruit niet blijkt dat [B] het bedrag namens [eiseres] en als aflossing op haar schuld heeft ontvangen. Ook zijn er geen berichten waaruit blijkt dat [eiseres] [gedaagde] heeft gevraagd haar schuld door betaling aan [A] of [B] af te lossen. Daarbij komt dat in de IOU staat dat terugbetaling moet plaatsvinden door overschrijving naar de daarin genoemde rekening of in contanten en dat een betaling anders niet als ontvangen geldt. De rechtbank brengt de betalingen daarom niet in mindering op de schuld van [gedaagde] aan [eiseres] .

Conclusie

3.21 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] de twee contante geldleningen van € 54.000,00 en € 67.000,00 en de girale geldlening van € 166.171,00 moet terugbetalen. Daarnaast moet zij RMB 500.000,00 terugbetalen, omgerekend naar euro’s tegen de wisselkoers op de dag van betaling.

Rente

3.22 [eiseres] vordert primair de contractuele rente die in de IOU is opgenomen en subsidiair de wettelijke rente, beide vanaf 17 maart 2025.

3.23 Volgens [eiseres] volgt uit de IOU dat [gedaagde] € 4.100,00 per maand aan rente moet betalen. In de IOU staat:
“De rente op de lening wordt berekend op basis van de hoogste handelsrente in Nederland, te weten € 4.100 per maand (€ 4.100 x 3 maanden = € 12.300).”
Volgens [eiseres] is de berekening tussen haakjes alleen bedoeld als rekenvoorbeeld en loopt de rente van € 4.100 per maand ook na drie maanden door. [gedaagde] leest de bepaling anders. Volgens haar is de contractuele rente voor drie maanden afgesproken.

3.24 Uit de tekst van de IOU blijkt niet dat de berekening over drie maanden alleen als voorbeeld is bedoeld. De vermelding “€ 4.100 x 3 maanden = € 12.300” wijst juist erop dat de rente voor drie maanden is afgesproken. [gedaagde] is daarom € 4.100,00 per maand aan contractuele rente verschuldigd over de periode van 17 maart tot en met 17 juni 2025. Voor de periode daarna komt de rechtbank toe aan de subsidiair gevorderde wettelijke rente. In de IOU is 17 juni 2025 als uiterste betaaldatum opgenomen. Vanaf het verstrijken van die termijn is [gedaagde] in verzuim en is zij wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd.

[gedaagde] moet de beslagkosten betalen

3.25 [eiseres] vordert vergoeding van de beslagkosten. [gedaagde] vindt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat [eiseres] de hoofdzaak niet binnen de in het beslagverlof gestelde termijn van veertien dagen heeft ingesteld. Het eerste beslag is gelegd op 26 september 2025, terwijl de dagvaarding op 23 december 2025 is betekend. [eiseres] heeft op 8 oktober 2025 medegedeeld dat zij een arbitrageprocedure was gestart.

3.26 Dat de termijn voor het instellen van de hoofdzaak is overschreden, betekent niet dat [eiseres] haar beslagkosten niet vergoed kan krijgen. Op grond van artikel 700 lid 3 Rechtsvordering (hierna: Rv) leidt overschrijding van die termijn in principe tot het vervallen van het beslag. Daarmee is het beslag nog niet nietig, onnodig of onrechtmatig gelegd. De vordering van [eiseres] wordt grotendeels toegewezen, waardoor niet is gebleken dat het beslag in dit geval nietig, onnodig of onrechtmatig is gelegd. Verder zijn er geen andere omstandigheden gesteld waaruit dit volgt. De beslagkosten komen daarom op grond van artikel 706 Rv voor vergoeding in aanmerking.

3.27 De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.159,67 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 2.885,00), totaal € 4.375,67.

Proceskosten

3.28 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 2.392,00 (verminderd met griffierecht beslagrekest)
- salaris advocaat € 7.212,50 (2,5 punten × € 2.885,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 9.938,95

3.29 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 287.171,00, vermeerderd met de tegenwaarde in euro’s van RMB 500.000,00 berekend tegen de wisselkoers op de dag van betaling,

4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de overeengekomen rente van € 12.300,00,

4.3 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het onder 4.1 toegewezen bedrag, met ingang van 17 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.4 veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.375,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

4.5 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.938,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.6 veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.7 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.8 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van ’t Hof, rechter, en door mr. J.M. van Wegen in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Aangehaalde artikelen