Rb. Midden-Nederland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:7188

Tussentijdse beëindiging prijsvaststellingsprocedure bij voorkeursrecht. Beslissing over de kosten als bedoeld in artikel 16.123 lid 5 jo. lid 4 Omgevingswet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/605220 / HL RK 26-3
Beschikking van 7 oktober 2026
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE UTRECHT,
te Utrecht,
verzoekende partij,
hierna te noemen: het College,
advocaat: mr. H.A. Bijkerk,
tegen
[verweerster] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. G. Koop.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 18 februari 2026, waarbij deskundigen zijn benoemd om een advies uit te brengen over de prijs van de onroerende zaken;
- de brief van het College van 2 juli 2026, waarin zij het verzoek aan de rechtbank tot het geven van een oordeel over de prijs als bedoeld in artikel 9.16 Omgevingswet (Ow) intrekt; - de brief van het College van 20 juli 2026, waarin zij de rechtbank om een beslissing over de kosten van [verweerster] verzoekt als bedoeld in artikel 16.123 lid 5 Ow;
- de akte van [verweerster] van 4 augustus 2026, waarin zij opgave doet van haar kosten;
- de akte van het College van 17 augustus 2026, waarin zij reageert op de kostenopgave van [verweerster] .

1.2 Ten slotte is een datum voor deze tussenbeschikking bepaald.

2 De beoordeling

Inleiding

2.1 Het College heeft de gerechtelijke procedure tussentijds beëindigd door het intrekken van het verzoek tot prijsvaststelling. Artikel 16.123 lid 5 Ow bepaalt in dat geval dat de rechtbank bij beschikking beslist over de toedeling van de kosten als bedoeld in lid 4.

2.2 Op grond van artikel 16.123 lid 4 Ow komen de kosten van deze procedure in beginsel ten laste van het College. Hieronder vallen zowel de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen als de kosten die door [verweerster] zijn gemaakt voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

2.3 Op grond van artikel 16.123 lid 4 Ow en de op de voorloper van dit artikel (artikel 13 lid 6 Wet voorkeursrecht gemeenten) gebaseerde rechtspraak moet de rechtbank bij de beoordeling van de gemaakte kosten toetsen of het redelijk is dat de verweerder de kosten van juridische en andere deskundige bijstand heeft gemaakt en of de omvang van die kosten (de hoogte van de declaraties) redelijk is (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Daarbij spelen ook een rol 1) het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de vastgestelde prijs, en 2) de mate, waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is.

2.4 Bij de beantwoording van voormelde vragen komt aan de rechtbank een grote mate van vrijheid toe, terwijl artikel 16.123 lid 4 Ow door de daarin gebezigde bewoordingen haar in belangrijke mate van haar motiveringsplicht ontheft. De aan de motivering te stellen (minimum)eisen zijn mede afhankelijk van dat wat partijen over en weer hebben aangevoerd.

2.5 Gelet op deze uitgangspunten overweegt de rechtbank het volgende.

De kosten van de rechtbankdeskundigen

2.6 Het College heeft te kennen gegeven kostenopgaven van de door de rechtbank benoemde deskundigen van totaal € 77.603,70 inclusief btw te hebben ontvangen, dat het College bereid is deze kosten te vergoeden en dat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen. De rechtbank zal hierna onder de beslissing dan ook verstaan dat het College deze kosten rechtstreeks aan de rechtbankdeskundigen zal voldoen.

Overzicht van de kosten van juridische en andere deskundige bijstand

2.7 De door [verweerster] gemaakte kosten bestaan uit het inschakelen van drie deskundigen: taxateur BNP, assetmanager Propertize en juridisch adviseur Loyens & Loeff en verder uit het door [verweerster] betaalde griffierecht.
De kosten van BNP

2.8 De opgevoerde kosten van BNP bedragen € 11.490,38. Hierop heeft [verweerster] al een btw-correctie doorgevoerd. Het College heeft hier geen opmerkingen bij gemaakt.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Het was redelijk voor een taxatie kosten te maken en deze kosten zijn ook redelijk van omvang gebleven.

De kosten van Propertize

2.10 De opgevoerde kosten van Propertize bedragen € 33.940,80.

2.11 Propertize is de assetmanager en commercieel adviseur van [verweerster] . Volgens [verweerster] beschikt Propertize over de meeste kennis van de bouwtechnische en commerciële aspecten van de onroerende zaken waarop het voorkeursrecht rust. Vanuit die rol heeft Propertize volgens [verweerster] het voortouw genomen in de onderhandelingen met het College. Zij was voor alle betrokken partijen het vaste aanspreekpunt en heeft tijdens de prijsvaststellingsprocedure vanuit commercieel en praktisch oogpunt meegekeken en meegeschreven aan de verschillende stukken. Verder heeft Propertize meermaals contact gehad met Lone Star, van wie [verweerster] geld heeft geleend voor de financiering van de onroerende zaken.

2.12 Het College stelt dat de inzet van Propertize niet kan worden aangemerkt als ‘andere deskundige bijstand’ in de zin van artikel 16.123 Ow. Volgens het College gaat het om algemene beheerwerkzaamheden die [verweerster] aan Propertize heeft uitbesteed. Ook stelt het College dat sprake is van overlap met de werkzaamheden van de advocaat en de taxateur.

2.13 Bij de kosten van ‘andere deskundige bijstand’ als bedoeld in artikel 16.123 Ow gaat het om bijstand anders dan juridische bijstand. De wet perkt niet nader in om welke soort bijstand het gaat. Vaak betreft het bijstand bij de begroting van de schadeloosstelling, maar ook andere vormen van deskundige bijstand kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover het College betoogt dat de werkzaamheden van een assetmanager nooit voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, volgt de rechtbank dat niet. Doorslaggevend is of het inschakelen van deze deskundige in deze concrete zaak de dubbele redelijkheidstoets kan doorstaan.

2.14 De eerste vraag is of het redelijk was om Propertize in te schakelen. De rechtbank begrijpt dat [verweerster] haar vastgoed laat beheren door assetmanager Propertize en dat Propertize tijdens de prijsvaststellingsprocedure als aanspreekpunt heeft gefungeerd voor partijen en de rechtbankdeskundigen voor de bouwtechnische en commerciële aspecten van de onroerende zaken. Daarmee heeft Propertize bijgedragen aan de totstandkoming van het conceptprijsadvies van de rechtbankdeskundigen. Gelet op de aard, omvang en waarde van de onroerende zaken acht de rechtbank het redelijk dat [verweerster] Propertize hiervoor heeft ingeschakeld. Het gaat om drie percelen grond met een oppervlakte van totaal 19.291 m2. Op deze percelen staan een kantoorgebouw met (maximaal) vijftien bouwlagen en een verhuurbaar vloeroppervlak van ongeveer 30.559 m2 en een meerlaags gestapelde parkeergarage met 744 parkeerplaatsen. Het kantoorgebouw en de parkeergarage zijn verhuurd aan zes huurders. In hun conceptrapport hebben de deskundigen aan de onroerende zaken een waarde van € 76.000.000,- toegekend. In dit licht is begrijpelijk dat de inzet van Propertize nodig was om de bouwtechnische en commerciële aspecten van het vastgoed goed voor het voetlicht te brengen. Daarmee vervult de assetmanager een andere rol dan de advocaat en de taxateur, zodat in zoverre van overlappende inzet geen sprake is.

2.15 [verweerster] heeft verder volstaan met de stelling dat Propertize 4 uur per week heeft gewerkt gedurende 50 weken, vanaf de bereidverklaring van het College om in onderhandeling te treden tot de intrekking van deze procedure, tegen een uurtarief van
€ 150,- exclusief btw.

2.16 Het College stelt terecht dat dit slechts een schatting is en dat enige specificatie van de tijdsbesteding van Propertize ontbreekt. [verweerster] heeft wel kwartaalnota’s van Propertize overgelegd, maar daarop staan vaste bedragen per kwartaal. Uit deze nota’s blijkt niet welke werkzaamheden Propertize precies heeft verricht, in hoeverre deze werkzaamheden samenhangen met de onderhavige prijsvaststellingsprocedure, hoeveel uren daaraan zijn besteed en welk uurtarief is gehanteerd. Ook is niet duidelijk of deze werkzaamheden hebben geleid tot hogere nota’s, of dat zij al in het vaste kwartaalbedrag waren inbegrepen. Dit maakt een verdere toetsing aan de dubbele redelijkheidstoets niet mogelijk is, omdat de rechtbank niet kan beoordelen of 1) het redelijk is dat Propertize kosten voor bepaalde concrete werkzaamheden heeft gemaakt, en 2) of de omvang van die kosten redelijk is. Omdat de opgevoerde kosten van Propertize daarmee de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking.

De kosten van Loyens & Loeff

2.17 Het College bestrijdt niet dat het redelijk was juridische bijstand van Loyens & Loeff in te schakelen. Wel stelt het College dat de omvang van de opgevoerde kosten niet redelijk is.

2.18 Het College heeft geen bezwaar gemaakt tegen de tijdsbesteding door Loyens & Loeff.

2.19 Wel maakt het College bezwaar tegen het uurtarief van mr. Koop (€ 755,00 tot
€ 780,00 exclusief btw per uur), mr. Boersma (€ 410,00 tot € 465,00 exclusief btw per uur) en mr. Kusters (€ 575,00 exclusief btw per uur). Het College acht deze uurtarieven bovenmatig en vindt dat wat betreft het uurtarief van mr. Koop moet worden aangesloten bij het uurtarief van de voorzitter van de deskundigen mr. Vermeulen (€ 380,00 exclusief btw). Het uurtarief van mr. Boersma (en, zo begrijpt de rechtbank, mr. Kusters) moet volgens het College met eenzelfde percentage naar beneden worden bijgesteld, wat resulteert in een uurtarief van afgerond € 210,00 exclusief btw (mr. Boersma) en € 280,00 exclusief btw (mr. Kusters).

2.20 Verder vindt het College het niet redelijk dat boven op de gehanteerde hoge uurtarieven nog een kantooropslag van 6% in rekening wordt gebracht.

2.21 De rechtbank acht een uurtarief over de periode vanaf 2025 van maximaal € 450,00 inclusief kantoorkosten en btw redelijk. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding voor een hoger uurtarief. In het conceptrapport van de rechtbankdeskundigen leest de rechtbank dat de belangrijkste ter discussie staande variabelen bij de waardebepaling zien op de bouwkundige staat van de parkeergarage en het moment waarop de grootste huurder eventueel zal vertrekken. Van juridisch complexe geschilpunten die vragen om zeer specialistische rechtsbijstand is niet gebleken.

2.22 Het voorgaande betekent dat de uurtarieven van mr. Koop, Boersma en Kusters naar beneden worden bijgesteld tot € 450,00 inclusief kantoorkosten en btw. Dit leidt tot de volgende berekening:

2.23 De conclusie is dat € 41.040,00 aan juridische bijstand inclusief kantoorkosten en btw voor vergoeding in aanmerking komt.

2.24 Dit bedrag is inclusief 21% btw. De rechtbank kan uit bijlage 1 niet afleiden hoe [verweerster] een correctie op de opgevoerde kosten heeft doorgevoerd in verband met de voor haar aftrekbare btw. De rechtbank laat het daarom aan partijen of op de vergoeding voor de kosten van juridische bijstand nog een btw-correctie in mindering moet worden gebracht.

Het griffierecht

2.25 Het College zal tot slot worden veroordeeld om het door [verweerster] betaalde griffierecht van € 10.487,00 aan haar te vergoeden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1 verstaat dat het College de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen rechtstreeks aan hen zal voldoen;

3.2 veroordeelt het College tot betaling aan [verweerster] van € 41.040,00 ter zake de kosten van juridische bijstand, € 11.490,38 ter zake de kosten van andere deskundige bijstand en
€ 10.487,00 aan griffierecht, met dien verstande dat op de kosten van juridische bijstand eventueel nog een btw-correctie in mindering moet worden gebracht zoals bedoeld in randnummer 2.24;

3.3 verklaart de veroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
7 oktober 2026.
5274

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken