Rb. Midden-Nederland 22 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:7055
Wahv, verlaging boete uit 2025, strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze kantonrechter sluit aan bij de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708) waarin de verhogingen van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend zijn verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 12194516 AM VERZ 26-1022
CJIB-nummer: 275057323
beslissing van de kantonrechter van 22 september 2026 en proces-verbaal van de zitting van 8 september 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Appjection B.V..
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 81,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 3 juli 2025 om 18:12 uur te Soest, [straat] thv perceel [nummer] met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 9 km/h.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 8 september 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Gemachtigde is verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- de sanctie is niet redelijk gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden;
- de juiste bebording was niet aanwezig;
- er wordt om proceskostenvergoeding verzocht.
Gemachtigde persisteert bij wat er in het beroepschrift is aangevoerd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is. Daarnaast heeft de zittingsvertegenwoordiger ter zitting het schouwrapport aan het dossier toegevoegd, waaruit volgt dat de H1-bebording is geplaatst bij de [straat] ter hoogte van perceel [nummer] . De bebording is daarmee in orde. Het is aan betrokkene om alert te zijn op de bebording. Dat betrokkene de bebording heeft gemist, komt voor haar eigen rekening en risico.
Beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht vermeldt onder meer: “Door mij is waargenomen hetgeen langs elektronisch weg is geconstateerd en digitaal is vastgelegd. De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 62 km/h.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 59 km/h.
Toegestane snelheid: 50 km/h.
Overschrijding met: 9 km/h.
(…)
De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”
Het dossier bevat daarbij foto's van de gedraging. Hierop is een voertuig met het kenteken [kenteken] te zien. De gegevens die in de databalk bij de foto’s staan, komen overeen met de in het zaakoverzicht vermelde gegevens. Op de foto in het dossier is het voertuig zichtbaar. Er bestaat bij de kantonrechter dan ook geen aanleiding te twijfelen over de juistheid van de gedane meting. Betrokkene betwist ook niet dat zij te hard gereden heeft.
Wel stelt zij zich op het standpunt dat hij geen H1-bord (begin bebouwde kom) is gepasseerd en dat de sanctie daarom niet in stand kan blijven.
In deze zaak is sprake van een snelheidsovertreding die elektronisch is geconstateerd met behulp van een flitspaal. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de gedraging heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom. In beginsel kan van deze vermelding worden uitgegaan. Dit kan anders zijn indien de betrokkene concrete argumenten aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van deze vaststelling (ECLI:NL:GHARL:2025:7801). Daarvan is hier geen sprake. Uit de zich in het dossier bevindende schouwrapporten blijkt dat het H1-bord op de betreffende locatie aanwezig was en dat daarbij is voldaan aan de zesmaandentermijn. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de vaststelling dat de gedraging binnen de bebouwde kom heeft plaatsgevonden. Betrokkene had derhalve kunnen en moeten weten dat zij zich binnen de bebouwde kom bevond.
Evenredigheidsbeginsel
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 81,00 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de boetebedragen verder verhoogd met (afgerond) 3,2%. De algemene maatregelen van bestuur die aan deze verhogingen ten grondslag liggen, zijn door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraken van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3708). In deze uitspraken is geoordeeld dat de verhogingen onverbindend zijn, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraken van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraken. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 72,00.
Proceskostenvergoeding
De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van betrokkene.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
- wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
- stelt het bedrag van de administratieve sanctie vast op € 72,00 (exclusief
administratiekosten);
- bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
- veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de
betrokkene, ter hoogte van € 233,50.
Deze beslissing is genomen door mr. L.M. Reijnierse, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. drs. M.A.L. Hagenouw mr. L.M. Reijnierse
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: