Rb. Midden-Nederland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6836
Consumentenrecht. Consument heeft in 2023 met BNPL zaken gekocht maar niet betaald. Koop- en kredietovereenkomst. Bij meeste kredietovereenkomsten worden consumenten beschermd, maar in dit geval is sprake van uitzondering met minder bescherming. Kantonrechter toetst wel ambtshalve de naleving van consumentenbeschermende bepalingen mbt de koopovereenkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12262861 UC EXPL 26-4793 CD/942
Verstekvonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
[eiseres] AG,
gevestigd in [vestigingsplaats] , Zwitserland,
eisende partij,
gemachtigde: E.A.P. van Lith,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
1.1 De eisende partij is een rechtszaak begonnen tegen de gedaagde partij. De gedaagde partij heeft niet (op tijd) gereageerd op de dagvaarding. Zij heeft ook geen uitstel gevraagd om daar op een later moment op te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.2 De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.
2 De kern van de zaak
2.1 De gedaagde partij, een consument, heeft in 2023 in een webwinkel flyers en folders gekocht. De gedaagde partij heeft gekozen voor uitgestelde betaling (“Buy Now, Pay Later”) aan Klarna Bank AB (hierna: Klarna). De gedaagde partij heeft de koopprijs niet betaald, ook niet na aanmaning. Klarna heeft de vordering op de gedaagde partij vervolgens verkocht aan de eisende partij. Die vordert nu dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om de koopprijs alsnog te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
2.2 Er gelden consumentenbeschermende regels, die de kantonrechter uit zichzelf moet toepassen. Die regels zijn allemaal nageleefd. Daarom is de vordering van de eisende partij volledig toewijsbaar.
3 De beoordeling
3.1 De eisende partij is een rechtspersoon naar buitenlands recht. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter wel bevoegd is. Dat is zo. De gedaagde partij woont namelijk in Nederland en is een consument. Op de vordering is het Nederlands recht van toepassing.
3.2 Het gaat in deze zaak eigenlijk om twee verschillende overeenkomsten tussen een consument en een partij die handelt in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, namelijk:
( a) een koopovereenkomst, omdat de gedaagde partij posters en flyers heeft gekocht, en
( b) een kredietovereenkomst, omdat de gedaagde partij uitgesteld kon betalen.
3.3 Voor beide overeenkomsten gelden bepaalde wettelijke regels die consumenten moeten beschermen. De kantonrechter moet ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de gedaagde partij daar niet om vraagt) toetsen of die regels zijn nageleefd. Dit wordt hieronder verder uitgelegd en beoordeeld.
De kredietovereenkomst
3.4 De gedaagde partij heeft gekozen voor uitgestelde betaling. Dat is een vorm van kredietverstrekking en daarvoor gelden vaak strenge consumentenbeschermende regels. Soms is dat anders: kredietovereenkomsten waarbij een consument minder financieel risico loopt, vallen bijvoorbeeld niet onder de strenge regels.
3.5 Kredietovereenkomsten van aanbieders van Buy Now, Pay Later (hierna: BNPL) kunnen ook onder deze uitzondering vallen, namelijk als het gaat om een gratis krediet of om een kortdurend krediet met onbetekenende kosten. Bij de vraag of daarvan sprake is mogen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten in principe niet in aanmerking worden genomen. Maar dat is anders als die rente en/of kosten onderdeel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Dan maakt de kredietverstrekker winst op deze bijkomende posten en is de uitzonderingsregel niet van toepassing.
3.6 Om te beoordelen of dat zo is, moet de kantonrechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren onderzoeken. De partij die zich op de uitzonderingsregel beroept, moet aan de kantonrechter alle informatie geven die nodig is voor die beoordeling. Kan de kantonrechter op basis van de gegeven informatie niet vaststellen of sprake is van een gratis krediet of van een kortdurend krediet met onbetekenende kosten, dan zal worden geoordeeld dat de uitzonderingsregel niet opgaat. Dat betekent dan dus dat op de kredietovereenkomst alle regels van consumentenbescherming van toepassing zijn.
3.7 Kantonrechters bij de rechtbank Midden-Nederland hebben tot nu steeds geoordeeld dat kredietovereenkomsten die zijn gesloten door Klarna niet onder de uitzondering vallen, omdat tot nu toe niet werd aangetoond dat Klarna geen winst maakte op de bijkomende kosten.
3.8 Maar de eisende partij heeft nu gesteld dat ook Klarna (inmiddels) voldoet aan de regels om voor de uitzondering in aanmerking te komen. Zij heeft recent, in een zaak die vergelijkbaar is met de zaak waarover de kantonrechter vandaag oordeelt, aan de hand van een aantal bewijsstukken uitgelegd hoe het (huidige) verdienmodel van Klarna in elkaar steekt.
3.9 In die andere zaak was de kantonrechter het niet met de eisende partij eens. Alle bewijs ging namelijk over de situatie vanaf 2023, terwijl de kredietovereenkomst in die andere zaak veel eerder was gesloten. Maar de eisende partij heeft in die andere zaak wel laten zien dat Klarna (in ieder geval) vanaf 2023 kredietovereenkomsten aanbiedt met minder financieel risico voor consumenten, waarvoor geen consumentenbeschermende regels gelden die de kantonrechter uit zichzelf moet toepassen. De eisende partij heeft in die zaak ook laten zien dat Klarna (in ieder geval) vanaf 2023 geld verdient door kosten in rekening te brengen aan winkeliers die uitgesteld betalen via Klarna aanbieden aan consumenten. De kosten die in rekening worden gebracht aan consumenten die te laat betalen zijn voor Klarna niet winstgevend.
3.10 In de zaak waarover de kantonrechter vandaag oordeelt, is de kredietovereenkomst tussen Klarna en de gedaagde partij gesloten in 2023. Deze kredietovereenkomst is dus, zoals de eisende partij heeft gesteld, een kredietovereenkomst met minder financieel risico voor consumenten, waarvoor geen consumentenbeschermende regels gelden die de kantonrechter uit zichzelf moet toepassen. De rechtsgeldigheid van deze kredietovereenkomst staat daarmee vast.
De koopovereenkomst
3.11 De kredietovereenkomst is gesloten om de gekochte posters en flyers te kunnen financieren. Ook op die koopovereenkomst zijn consumentenbeschermende regels van toepassing. Als het een online gesloten overeenkomst is, zoals in deze zaak, moet de webwinkel (hierna: de handelaar) tijdens het bestelproces vóór het sluiten van een overeenkomst bepaalde informatie geven, zodat consumenten weten waar ze aan toe zijn. Ná het sluiten van een overeenkomst moet de handelaar die informatie ook nog op een voorgeschreven manier bevestigen, zodat de consument die de overeenkomst heeft gesloten die informatie op een later moment nog eens kan bekijken.
3.12 De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of de handelaar de voorgeschreven informatie op de goede manier aan de gedaagde partij heeft gegeven. De kantonrechter constateert dat dit in deze zaak goed is gegaan.
3.13 De kantonrechter merkt nog wel op dat de gedaagde partij op maat gemaakte flyers en posters heeft gekocht, waarvoor (anders dan voor de meeste zaken die door consumenten worden gekocht) géén herroepingsrecht geldt, dat wil zeggen dat consumenten niet het recht hebben om zaken die speciaal voor hen op maat zijn gemaakt, te retourneren. Handelaren moeten consumenten laten weten of ze wel of niet een herroepingsrecht hebben. Als ze wél een herroepingsrecht hebben, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of daar op een goede manier over is geïnformeerd – en als dat niet goed is gegaan, moet de kantonrechter daar ook een sanctie aan verbinden. Als ze géén herroepingsrecht hebben, zoals in deze zaak, moet de kantonrechter zich afzijdig houden.
3.14 Ook merkt de kantonrechter nog op dat handelaren alle informatie die zij aan consumenten moeten geven, na het sluiten van een overeenkomst ook nog op een voorgeschreven manier aan hen moeten bevestigen (zie ook 3.11.). In vrijwel alle zaken waarin is gekozen voor achteraf betalen met Klarna, kan de kantonrechter niet vaststellen dat dit goed is gegaan, omdat steeds een bestelbevestiging wordt ingediend die door Klarna naar de betreffende consument is gestuurd, waarop belangrijke informatie ontbreekt. Maar in dit geval is dat anders. Consumenten die iets willen bestellen bij de handelaar in deze zaak, moeten namelijk verplicht een persoonlijk account aanmaken. En alle belangrijke informatie is in dat account terug te vinden (omdat die staat in de algemene voorwaarden die in dat account zijn opgenomen).
3.15 Als niet kan worden vastgesteld dat een handelaar zich aan zijn informatieverplichtingen heeft gehouden (of als blijkt dat hij die verplichtingen heeft overtreden), moet de kantonrechter daar ambtshalve gevolgen aan verbinden. De consument hoeft dan niet meer de hele koopprijs te betalen. Maar in deze zaak is alle nodige informatie op de goede manier gegeven. Daarom moet de gedaagde partij de volledige koopprijs van € 85,65 betalen. De kantonrechter zal de gedaagde partij veroordelen om dat bedrag te betalen.
Rente en incassokosten
3.16 De eisende partij maakt aanspraak op wettelijke rente. De kantonrechter heeft bekeken of in de algemene voorwaarden iets oneerlijks staat over rente. Als dat het geval zou zijn, zou de eisende partij namelijk geen recht hebben op rente. Maar dat is niet zo. De eisende partij heeft dus recht op rente. De kantonrechter zal de rente toewijzen op de manier waarop de eisende partij die heeft gevorderd.
3.17 De eisende partij maakt ook aanspraak op een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, dat zijn de kosten die zijn gemaakt toen werd geprobeerd om de gedaagde partij de koopprijs te laten betalen, zonder een procedure bij de kantonrechter te hoeven beginnen. De kantonrechter heeft bekeken of in de algemene voorwaarden iets oneerlijks staat over incassokosten. Als dat het geval zou zijn, zou de eisende partij namelijk geen recht hebben op een vergoeding. Maar dat is niet zo. De eisende partij heeft zich gehouden aan de wet, door een aanmaningsbrief te sturen die aan alle wettelijke eisen voldoet. Zij heeft daarom recht op incassokosten. Hoe hoog het bedrag is, is ook wettelijk vastgelegd. De eisende partij maakt aanspraak op € 40,00, dat is het laagste wettelijke tarief. De kantonrechter wijst dat bedrag toe.
Proceskosten
3.18 De gedaagde partij krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 127,08
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 330,58.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
3.19 Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door de eisende partij is gevorderd. Dat betekent dat dit vonnis moet worden gevolgd, ook als de gedaagde partij hiertegen in verzet komt. Dit vonnis geldt dan totdat de rechter in de verzetzaak een andere beslissing heeft genomen.
4 De beslissing
De kantonrechter:
4.1 veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 140,75 aan de eisende partij te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 85,65, vanaf 27 mei 2026 tot de voldoening;
4.2 veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 330,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Midden-Nederland 16 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6471
- HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008
- Rb. Midden-Nederland 30 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2054
- Rb. Midden-Nederland 30 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2056
- HvJ EU 17 oktober 2024, C-409/23, ECLI:EU:C:2024:895
- HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1006
- HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1667
- HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
- Conclusie P-G Wissink 16 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:758
- HvJ EU 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68
- HvJ EU 25 januari 2017, C-375/15, ECLI:EU:C:2017:38