Rb. Midden-Nederland 6 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6233

De verdachte wordt vrijgesproken van het primaire feit (art. 6 WvW) en veroordeeld voor het subsidiaire feit (art. 5 WvW). De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bestuurder is geweest van het motorrijtuig is geweest. De verdachte is door het rode verkeerslicht gereden, terwijl dit verkeerslicht al ruim 6 minuten rood uitstraalde en hij harder reed dan toegestaan. Er is geen informatie bekend over hoe hard de verdachte reed ten tijde van de botsing. Het is ook niet bekend waar het slachtoffer precies heeft overgestoken. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte haar heeft kunnen zien en in staat was zijn snelheid te reguleren om een aanrijding te voorkomen. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat de verdachte op zo’n manier reed – bijvoorbeeld met een dermate forse overschrijding van de snelheid en onder invloed – dat het zonder meer duidelijk is dat een aanrijding geheel aan hem te wijten is. Met zijn handelingen, zeker gelet op het feit dat het donker was, heeft de verdachte zich wel schuldig gemaakt aan de overtreding van art. 5 WvW. Straf: taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 4 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen