Rb. Midden-Nederland 20 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5356
Omgevingswet. Verzoek om voorlopige voorziening en beroep tegen een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kelder onder de woning in Utrecht. Beroep ongegrond. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6352 en UTR 26/71
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigden: mr. R.A.M. Verkoijen en J. Koop).
Inleiding
1 In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het beroep en op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghouder voor het bouwen van een kelder onder de woning aan de [adres] in [plaats] .
1.1 Het college heeft met het besluit van 2 mei 2025 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Het betreft een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit en voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Met het besluit van 24 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak UTR 25/6352) en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (zaak UTR 26/71), te weten dat de omgevingsvergunning wordt geschorst totdat de rechtbank op haar beroep heeft beslist.
1.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van het college, vergunninghouder, de echtgenote van vergunninghouder en de gemachtigden van vergunninghouder deelgenomen.
1.3 Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2 Tussen partijen is in geschil of het college terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor de technische bouwactiviteit. In dat kader hoeft het college slechts te toetsen of aannemelijk is dat is voldaan aan de bouwregels van hoofdstuk 4 en 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Als de aanvraag hieraan voldoet, dan moet het college de omgevingsvergunning verlenen.
2.1 Door vergunninghouder is in dat kader bij de aanvraag onder meer de rapportage Bouwbesluittoetsingen van 6 juli 2022 ingediend. Het college heeft op grond daarvan geconcludeerd dat aan de bouwregels wordt voldaan. Eiseres heeft de inhoud van de rapportage niet concreet betwist, zodat de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten heeft om te twijfelen aan de juistheid van die conclusie.
2.2 Eiseres maakt zich echter zorgen om de effecten van de bemaling (in het kader van de bouwwerkzaamheden) voor de fundering van haar woning en voor de omliggende beplantingen. Dat is echter geen onderdeel van het toetsingskader dat geldt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit. Het is voor het college dan ook geen grond om de omgevingsvergunning te kunnen weigeren. Het gaat hier daarentegen om uitvoeringsaspecten met betrekking tot bemaling waar vergunninghouder zich – gelet op de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 7.16 van het Bbl – hoe dan ook aan moet houden. Als aan deze bepaling niet wordt voldaan, kan door het college handhavend worden opgetreden. Dat ligt in deze procedure echter niet voor.
2.3 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat door vergunninghouder bij de aanvraag om een omgevingsvergunning ook een risicomatrix is overgelegd met daarbij een bemalingsadvies. Daaruit volgt dat als gevolg van de bemaling het grondwaterpeil niet zodanig zakt dat het bemalen tot risico’s zal leiden voor de fundering van de woning van eiseres of voor de omliggende beplantingen. Eiseres heeft daar geen tegenrapport tegenovergesteld en heeft haar betwisting van de conclusies uit het bemalingsadvies ook niet anderszins met stukken onderbouwd. Tegen die achtergrond bestaat er op dit moment dus bovendien ook geen concrete aanleiding voor de vrees dat de bemaling schade aan de fundering van de woning van eiseres of beplantingen zal veroorzaken.
2.4 Gelet op het voorgaande heeft het college terecht aannemelijk geacht dat aan de bouwregels van hoofdstuk 4 en 5 van het Bbl is voldaan en was hij dus gehouden om de omgevingsvergunning te verlenen. De enkele vrees voor schade aan de fundering van de woning van eiseres en nabijgelegen beplanting kan niet leiden tot het oordeel dat de vergunning niet mocht worden verleend. Mocht tijdens de werkzaamheden schade worden veroorzaakt aan eigendom van eiseres, dan is het verhalen hiervan een privaatrechtelijke kwestie. Dit is echter geen aspect dat aan vergunningverlening in de weg kan staan.
Conclusie en gevolgen
3 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
3.1 Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De voorzieningenrechter
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026 door mr. M.W.A. Schimmel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.