Rb. Midden-Nederland 17 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4468
Einduitspraak na tussenuitspraak. Woo-verzoek. De korpschef heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld. Het beroep is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1615
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en
de korpschef van politie
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot-Schröder).
Procesverloop
Eiser heeft op 3 juni 2024 verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op alle incidenten en maatregelen die zijn genomen omtrent de [locatie] en dan specifiek omtrent zijn bedrijf [bedrijf] , destijds gevestigd aan de [adres] in [plaats] , in de periode van 2012 tot en met 2022.
Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft de korpschef een deel van de 174 aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en een deel van de documenten volledig geweigerd openbaar te maken. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de korpschef hierbij gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.
In de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank de korpschef in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De korpschef heeft in reactie op de tussenuitspraak op 20 april 2026 een aanvullend besluit genomen.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1 Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat er redenen zijn om eraan te twijfelen of de zoekslag van de korpschef wel volledig is geweest. In zoverre is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de korpschef tijdens de zitting (desgevraagd) heeft verklaard dat aan de weigering om document 139 openbaar te maken niet de juiste weigeringsgrond ten grondslag is gelegd. De korpschef moet daarom dit document alsnog openbaar maken dan wel motiveren welke weigeringsgrond zich daartegen verzet en waarom.
3 In het aanvullende besluit van 20 april 2026 heeft de korpschef uiteengezet hoe hij de eerdere zoekslag heeft verricht en hij heeft nogmaals een zoekslag gedaan. De korpschef heeft nogmaals een uitvraag gedaan bij de afdeling Bestuurszaken en het district Gooi en Vechtstreek van de eenheid Midden-Nederland. Daarbij heeft hij de door eiser in zijn verzoek benoemde informatie meegegeven als zoekopdracht, uitdrukkelijk niet beperkt tot ‘overlast’, en de navolgende zoektermen “ [zoekterm] ”, “ [zoekterm] ”, “ [zoekterm] ”, “ [zoekterm] ” en “ [zoekterm] ”. Daarbij is de brief van 31 juli 2017, waarin een terugkoppeling wordt gegeven naar aanleiding van een aangifte van vernieling op 3 juni 2017, opnieuw niet aangetroffen. De verklaring die de korpschef hier nu voor geeft is dat het document is vernietigd. Documenten die niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak worden in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd. De rechtbank kan dit volgen. De door de korpschef uitgevoerde zoekslag is voldoende inzichtelijk gemaakt en zorgvuldig uitgevoerd. De verklaring dat het document is vernietigd vindt de rechtbank, in tegenstelling tot eiser, geloofwaardig. Dat dit ook had kunnen gelden voor documenten die wel zijn aangetroffen, zoals eiser stelt, is op zichzelf wellicht juist, maar dit maakt niet ongeloofwaardig dat dit document wel is verwijderd.
4 Bij de zoekslag heeft de korpschef één nieuw document aangetroffen, te weten een Whatsapp-conversatie. De korpschef heeft dit document openbaar gemaakt met uitzondering van de gegevens waarop de Wpg van toepassing is en een passage die buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser valt. Hetzelfde geldt voor document 139. Ook dit document heeft de korpschef bij het aanvullende besluit van 20 april 2026 alsnog openbaar gemaakt met uitzondering van de gegevens waarop de Wpg van toepassing is en een passage die buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiser valt. Na kennisneming van de ongelakte versie van deze documenten, stelt de rechtbank vast dat de korpschef ook hierin kan worden gevolgd. De rechtbank is het niet met eiser eens dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze passages worden geweigerd. Het besluit van 20 april 2026 bevat voor beide weigeringsgrondslagen een afdoende motivering.
5 Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de korpschef in zijn aanvullende besluit de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
6 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de korpschef aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
7 Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De korpschef moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.