Rb. Midden-Nederland 1 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4032

WHOA. Verlenging afkoelingsperiode en benoeming observator. Het verstrekken van informatie over de voortgang van een verkoopproces is op dit moment voldoende, maar rechtvaardigt niet een verlenging voor de gevraagde duur van drie maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht
locatie Utrecht
verzoek afkoelingsperiode
rekestnummer: FT RK 25-1236
uitspraakdatum: 1 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. L. van Agthoven en mr. J.W. Volkers te Amsterdam,
belanghebbenden:
1. de besloten vennootschap
[belanghebbende sub1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende sub1] ,
advocaten: mr. J.P. Barth en mr. J.P. van Oosten te Amsterdam,
en
2. de stichting
[belanghebbende sub2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende sub2] ,
advocaten: mr. J.F. Fliek en mr. L.P. Kortmann te Amsterdam.

1 De kern van de beslissing

1.1 Tussen [verzoekster] en [belanghebbende sub1] bestaat discussie over de vraag of belangrijke vooruitgang is geboekt bij het bereiken van een akkoord. De rechtbank oordeelt dat daarvan sprake is en wijst de gevraagde verlenging toe. Er is vooral voortgang geboekt met de onderhandelingen over de verkoop van door [verzoekster] gehouden aandelen. Dit ontslaat [verzoekster] niet van de verplichting om daarnaast belangrijke vooruitgang te maken in de totstandkoming van een akkoord. Daarom stelt de rechtbank als voorwaarde bij de verlenging dat de observator op 11 mei 2026 een verslag uitbrengt.

2 De procedure

2.1 Het verloop van de procedure volgt uit:
- de beschikking van 30 december 2025;
- het verzoekschrift van 6 maart 2026,
- de beschikking van 11 maart 2026,
- de zienswijze van de observator van 19 maart 2026;
- de zienswijze van [belanghebbende sub1] van 24 maart 2026,
- de akte van [verzoekster] van 30 maart 2026,
- de akte van [belanghebbende sub1] van 30 maart 2026,
- de e-mail van [belanghebbende sub2] van 30 maart 2026.

2.2 Het verzoek is op 25 maart 2026 middels een videoverbinding behandeld. Daarbij zijn verschenen:
Van de zijde van [verzoekster]
- de heer [A.] , bestuurder,
- de heer [B.] , beoogd opvolgend CEO,
- mr. L. van Agthoven, advocaat,
- mr. J.W. Volkers, advocaat,
Van de zijde van [belanghebbende sub2] :
- de heer [C.] , partner,
- de heer [D.] , investment director,
- mr. J.F. Fliek, advocaat,
- mr. L.P. Kortmann, advocaat,
Van de zijde van [belanghebbende sub1] :
- mr. J.P. Barth, advocaat,
- mr. J.P. van Oosten, advocaat,
De observator:
- mr. M.N. de Groot.

2.3 De rechtbank gaf partijen na de behandeling de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over de inhoud van een verslag dat de observator op 11 mei 2026 over de voortgang van het akkoord zal uitbrengen.

3 Het verzoek van [verzoekster]

3.1 verzoekt op grond van artikel 376 lid 5 Fw om verlenging van de afkoelingsperiode voor een periode van drie maanden. Ter onderbouwing van dat verzoek voert zij het volgende aan. Het verkoopproces dat bij het verlenen van de eerste afkoelingsperiode al was gestart, loopt in grote lijnen volgens het voorgenomen schema. Het due diligence-onderzoek is afgerond en de koper heeft kunnen reageren op een eerste versie van de koopovereenkomst voor de aandelen. Uit de reactie van de koper komen volgens de adviseur van [verzoekster] geen dealbreakers naar voren.

3.2 De verwachting is dat de verkoop van de door [verzoekster] gehouden aandelen voldoende oplevert om de schuldeisers te kunnen voldoen. Daarbij is ook rekening gehouden met de kosten van de W&I-verzekering, de aflossing van het krediet in rekening-courant bij Rabobank en de afwikkeling van de intercompanyvorderingen. Van die verkoopopbrengst wordt vervolgens een percentage van 15-20% achtergehouden voor eventuele onvoorziene correcties in de vier tot acht weken volgend op de dag van de verkoop. Ook de cashopbrengst van € XXX na de afzonderlijke verkoop van het Franse onderdeel van [verzoekster] komt daar nog bij. De te realiseren opbrengst bedraagt dus ongeveer € XXX, tegenover een schuldenpositie van € XXX. Dit betekent dat er naar verwachting voldoende opbrengst wordt gerealiseerd om alle schuldeisers mogelijk geheel, dan wel nagenoeg geheel, te voldoen.

3.3 Hoewel [verzoekster] verwacht dat de verkoopopbrengst voldoende zal zijn om al haar schuldeisers te voldoen, is zij parallel aan het verkoopproces gestart met de voorbereidingen van een akkoord. De inhoud van het akkoord hangt echter nog af van de definitieve vaststelling van de verkoopprijs en de verdere beoordeling van de positie van de schuldeisers.

3.4 Het verkoopproces bevindt zich in een vergevorderd stadium, waardoor een afronding hiervan op korte termijn realistisch is. Daarnaast is meer dan redelijkerwijs aannemelijk dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend met een verlenging van de afkoelingsperiode, omdat de opbrengst in faillissement aanzienlijk lager zal zijn dan de opbrengst in het verkooptraject. Ook [belanghebbende sub2] , aandeelhouder [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en de observator steunen het verzoek van [verzoekster] om verlenging van de afkoelingsperiode.

4 De zienswijzen

Zienswijze van de observator

4.1 In het kader van de observerende taak, wordt de observator wekelijks geïnformeerd over de voortgang van het verkoopproces door [verzoekster] . Die updates worden ook gedeeld met [belanghebbende sub2] en [belanghebbende sub1] . De observator heeft de ontvangen informatie ook kunnen verifiëren bij de ingeschakelde M&A-advocaat. De vragen van de observator over het verkoopproces worden tijdig en adequaat beantwoord. Het verkoopproces verloopt in grote lijnen conform de opgestelde planning. De observator heeft in haar zienswijze echter wel vastgesteld dat [verzoekster] nog geen conceptakkoord heeft opgesteld en dat zij nog niet met de belanghebbende schuldeisers heeft gesproken over een mogelijke verdeling van de beoogde verkoopprijs. Wel is [verzoekster] inmiddels gestart met de voorbereidingen van een conceptakkoord.

4.2 De observator is van mening dat sprake is van belangrijke vooruitgang in de totstandkoming van een akkoord. Het verkoopproces vormt namelijk een essentieel onderdeel van een mogelijk akkoord. Daarnaast is de verlenging van de afkoelingsperiode nog steeds noodzakelijk en in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Zonder verlenging is het aannemelijk dat [verzoekster] in staat van faillissement zal worden verklaard. Dat zou het lopende verkoopproces doorkruisen en dat zou nadelige effecten kunnen hebben op de reeds bereikte voortgang in het verkoopproces. De verlenging is daarom vereist om het verkoopproces ongestoord te kunnen afronden. Ook de beoogde verkoopprijs rechtvaardigt de verlenging van de afkoelingsperiode, aldus de observator.

Zienswijze [belanghebbende sub1]

4.3 [belanghebbende sub1] heeft als belanghebbende een zienswijze ingediend en deze ter zitting mondeling toegelicht. [belanghebbende sub1] betwijfelt of sprake is van belangrijke vooruitgang en of het verlengingsverzoek kan worden toegewezen. [belanghebbende sub1] constateert dat er voor de rechtbank onvoldoende informatie beschikbaar is over de voortgang om hierover een oordeel te kunnen vellen. Dit spitst zich volgens [belanghebbende sub1] met name toe op de volgende onderwerpen:
i) Onduidelijk blijft op welke wijze [belanghebbende sub2] gedurende het verkooptraject voldaan zal worden, dit in verband met de garanties die een groot deel van de dochtervennootschappen van [verzoekster] ten gunste van [belanghebbende sub2] hebben afgegeven;
ii) Gelet op de voorlopige koopsom blijft het de vraag of die toereikend is om alle schuldeisers te voldoen. Gelet daarop dient [verzoekster] meer duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop zij de opbrengst beoogt te verdelen onder haar schuldeisers;
iii) De kosten van het verkooptraject komen ten laste van de gezamenlijke schuldeisers, zonder dat daarvoor bijvoorbeeld aan garantie van de aandeelhouder is afgegeven;
iv) Er bestaan rondom de transactie verschillende onzekerheden. Zo heeft een medeaandeelhouder [verzoekster] en haar bestuurders aansprakelijk gesteld, er is sprake van een bestuurswissel en voor een aantal materiële punten rondom de verkoop – zoals de W&I-verzekering – is nog altijd niet duidelijk welke afspraken [verzoekster] en de koper hierover kunnen maken.

4.4 Daarnaast voert [belanghebbende sub1] aan dat een (verlengde) afkoelingsperiode niet bedoeld is om een verkooptraject te faciliteren. Voor een verlenging is noodzakelijk dat er belangrijke vooruitgang is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord.

5 De beoordeling

5.1 De rechtbank volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikkingen van
30 december 2025 en 11 maart 2026, voor zover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken.

5.2 Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode is op 6 maart 2026 bij de rechtbank ingediend, dus voordat de initiële afkoelingsperiode is verstreken. Op basis van de stellingen van [verzoekster] is voldoende aannemelijk dat de omstandigheden die aan de beslissing tot afkondiging van de afkoelingsperiode ten grondslag hebben gelegen (beschikking van 30 december 2025) zich nog steeds voordoen.

Belangrijke vooruitgang

5.3 De wetgever heeft met de Wet homologatie onderhands akkoord (Whoa) beoogd minnelijke herstructureringen te versterken door partijen te laten onderhandelen voordat zij het akkoord aanbieden. De wettelijke regeling sluit hierop aan: de afkoelingsperiode moet noodzakelijk zijn voor het voortzetten van de onderneming tijdens de voorbereiding en onderhandelingen over het akkoord. De afkoelingsperiode verlengen kan alleen als [verzoekster] belangrijke vooruitgang boekt in het bereiken van een akkoord. Dit moet [verzoekster] aannemelijk maken.

5.4 Onderhandelingen over de verkoop van door [verzoekster] gehouden aandelen kunnen meetellen. Met name wanneer – zoals in dit geval – sprake is van een liquidatieakkoord. De verkoopopbrengst geeft inzicht in de beschikbare middelen voor schuldeisers en is daarmee van wezenlijk belang voor het bereiken van een akkoord. [verzoekster] lijkt in deze zaak er vanuit te gaan dat het aanbieden van een akkoord niet nodig zal zijn, omdat de schuldeisers volledig kunnen worden voldaan en zullen instemmen met de wijze waarop voldoening plaatsvindt. Verdere informatieverstrekking zou alleen maar de verkooponderhandelingen kunnen verstoren en verdere kosten met zich brengen. [verzoekster] vindt het daarom niet nodig meer informatie aan haar schuldeisers te geven. Dit standpunt klopt in zoverre dat in de Whoa door de wetgever het zwaartepunt met betrekking tot de informatieverplichting is gelegd bij het moment van aanbieding van, en stemming over, het akkoord. Dan dient alle informatie beschikbaar te zijn die stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders nodig hebben om zich vóór het plaatsvinden van de stemming een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord. Maar, dit ontslaat [verzoekster] er niet van dat zij aannemelijk moet maken dat stappen worden gezet richting een akkoord. Deze voorwaarde is in de wet vastgelegd. Zelfs als een verkoop volledige betaling van de schulden mogelijk maakt en het akkoord overbodig lijkt, volstaat dat vooruitzicht niet om de voorbereiding van een akkoord achterwege te laten. Een afkoelingsperiode is niet bedoeld om uitsluitend het verkoopproces te faciliteren, maar moet in dienst staan van de totstandkoming van een akkoord.

5.5 Het ligt op de weg van [verzoekster] om duidelijk te maken dat er belangrijke vooruitgang is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord. Het verstrekken van informatie over de voortgang van het verkoopproces is daarvoor op dit moment weliswaar voldoende, maar rechtvaardigt niet een verlenging voor de gevraagde duur van drie maanden. Dit betekent dat [verzoekster] gedurende de verlangde afkoelingsperiode duidelijk dient te maken hoe het akkoord (verder) wordt vormgegeven. Deze verplichting geldt ook als de verkoop nog niet (definitief) is afgerond en eveneens als het de verwachting is dat de opbrengst na verkoop toereikend is om alle schuldeisers te voldoen. De rechtbank zal daarom een voorwaarde verbinden aan de gevraagde verlenging. Door het stellen van deze voorwaarde wordt een efficiënt gebruik van de afkoelingsperiode in het belang van de schuldeisers voldoende gewaarborgd.

5.6 De rechtbank zal gelet op het voorgaande – en met inachtneming van de aktes die partijen op 30 maart 2026 hebben genomen – het verzoek van [verzoekster] onder voorwaarden toewijzen. De observator dient op 11 mei 2026 aan de rechtbank en belanghebbenden verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord, met name op de onderdelen zoals verwoord onder art. 375 lid 1, onder c, d, e, f, g, j en k Fw. Uiteraard is [verzoekster] gehouden de observator tijdig en zodanig te informeren dat zij aan haar taak uitvoering kan geven. Voor andere voorwaarden ziet de rechtbank geen aanleiding.

5.7 De rechtbank zal, anders dan [belanghebbende sub1] heeft voorgesteld, [verzoekster] niet verplichten om haar schuldeisers (tussentijds) van nadere informatie te voorzien over de voorgenomen verkoop. De wet bevat geen aanknopingspunten voor het opleggen van een dergelijke verplichting. Het staat [verzoekster] uiteraard vrij om haar schuldeisers daarover toch te informeren, zoals zij in de akte heeft voorgesteld. De rechtbank zal [verzoekster] evenmin verplichten om binnen twee weken een conceptakkoord op te stellen en met haar schuldeisers te delen. Die termijn is te kort en bovendien is het aan de schuldenaar zelf, in dit geval [verzoekster] , om te bepalen op welk moment zij het akkoord wil aanbieden.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1 verlengt de bij beschikking van 30 december 2025 afgekondigde afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 Fw met drie maanden, te rekenen vanaf 10 maart 2026, die inhoudt dat:
elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoekster] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoekster] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden, en
de behandeling van het door [belanghebbende sub1] jegens [verzoekster] ingediende verzoek tot faillietverklaring geschorst blijft;

6.2 bepaalt dat aan de verlenging van de afkoelingsperiode de volgende voorwaarden worden verbonden:
[verzoekster] dient de observator uiterlijk op 1 mei 2026 te voorzien van alle relevante informatie over het akkoord, waarbij zij in elk geval duidelijk maakt welke belangrijke voortgang zij heeft geboekt op de onderdelen zoals verwoord onder art. 375 lid 1, onder c, d, e, f, g, j en k Fw;
de observator brengt hierover uiterlijk op 11 mei 2026 verslag uit aan de rechtbank.

6.3 wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, mr. G. Konings en mr. L. Mundt en uitgesproken door mr. P.J. Neijt op 1 april 2026 in aanwezigheid van de griffier, mr. R.F.E. Dekker.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken