Rb. Midden-Nederland 9 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1787
Verweerders hebben het verzoek om rangschikking onder de Natuurschoonwet 1928 terecht afgewezen, omdat de onroerende zaak aangemerkt moet worden als een tweede hoofdgebouw op het landgoed. Daarbij mochten verweerders zich baseren op de interne uitvoeringsrichtlijn om te kunnen beoordelen of het vakantiehuis inbreuk maakt op het natuurschoon. Het criterium onder a van de uitvoeringsrichtlijn is een redelijke invulling van de beoordeling of het vakantiehuis inbreuk maakt op het natuurschoon. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl