Rb. Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5848
Eiser huurt van gedaagde een ligplaats voor een woonboot. Eiser was de eigenaar van de woonboot die daar ligt afgemeerd. De woonboot heeft hij overgedragen aan zijn dochter en schoonzoon. In deze procedure vordert eiser op grond van artikel 7:270b BW een machtiging om dochter en schoonzoon in zijn plaats als huurder van de ligplaats te stellen. Gedaagde is het daar om meerdere redenen niet mee eens. Zo voert zij aan dat het verzoek om indeplaatsstelling niet tijdig is gedaan. Ook stelt zij dat eiser geen zwaarwichtig belang bij de indeplaatsstelling heeft, mede omdat de woonboot aan de dochter en schoonzoon is geschonken en niet is verkocht. Verder meent zij dat de voorgestelde huurders onvoldoende waarborg bieden voor de nakoming van de huur en dat haar belangen om zelf een contractspartij te kiezen zwaarder wegen dan de belangen van eiser. De kantonrechter wijst de gevorderde machtiging toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl