Rb. Midden-Nederland 17 februari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:479
In onderzoek 03Waard24 stonden 28 verdachten terecht. 21 daarvan worden veroordeeld voor openlijke geweldpleging die ziet op de rellen op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard in Utrecht. De rechtbank oordeelt dat een deel van de locaties in de tenlastelegging, namelijk het deel rondom het stadion, één openlijke geweldpleging betreffen. Van de overige locaties worden de verdachten die daar niet zijn geweest partieel vrijgesproken. Eén verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling van een ME’er omdat hij een steen tegen de helm van deze ME’er heeft gegooid. Geen sprake van zware mishandeling of poging tot zware mishandeling, vanwege onder meer de beschermende kleding die de ME’ er aan had en daarmee de kans op zwaar lichamelijk letsel (zonder nadere onderbouwding) niet aanwezig was. 23 agenten hebben zich in eerste instantie zonder opgave van naam en geboortedatum als benadeelde partij gevoegd. In een tussenbeslissing oordeelt de rechtbank dat naam en geboortedatum zijn vereist. Na herstelmogelijkheid geven 14 BP’s hun naam en geboortedatum alsnog op. Aan hen worden verschillende bedragen aan immateriële schade toegewezen, waaronder voor gehoorschade en tinnitus. De rechtbank oordeelt dat sprake is van groepsaansprakelijkheid en dat iedere verdachte hoofdelijk aansprakelijk is. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel vindt de rechtbank passend dat de verdachten 1/21ste deel van de toegewezen bedragen wordt opgelegd. De agenten die geen naam en geboortedatum kenbaar hebben gemaakt, zijn niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot wordt materiele schade toegewezen aan drie rechtspersonen, waaronder het stadion en de politie. De rechtbank legt verschillende straffen op en heeft daarbij gelet op het aandeel dat de verdacht had in de openlijke geweldpleging.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/196696-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [2001] in [geboorteplaats] ,
wonende [adres] in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 december 2024, 19 december 2024, 13 januari 2025 en 17 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. E.M. van den Burg en mr. M.H. Hoogendam (hierna te noemen: officier van justitie) en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Haan, advocaat te Zwolle, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat mr. E.P. Ceulen en mr. T. Rezaie en de gemachtigden, mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de benadeelde partijen die zij bijstaan, naar voren hebben gebracht.
2 TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
feit 1
op 26 mei 2024 in Utrecht een groepslid van de Mobiele Eenheid (ME) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door een steen tegen zijn hoofd te gooien;
subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling;
feit 2
op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard in Utrecht (Herculesplein, Israëlslaan en Tamboersdijk) zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen.
3 VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1 Inleiding
Op 26 mei 2024 vond een voetbalwedstrijd plaats tussen FC Utrecht en Go Ahead Eagles (hierna: GAE) in Stadion Galgenwaard in Utrecht. Tegen het einde van de wedstrijd ontstond tussen de supporters van GAE en de supporters van FC Utrecht onrust. Zo werd er door de supporters van GAE vuurwerk richting een thuisvak van FC Utrecht gegooid en liepen supporters van FC Utrecht het veld op.
Buiten het stadion zette de onrustige situatie zich voort, waarbij een grote groep supporters van FC Utrecht, zo’n 100 tot 150 personen, zich met geweld keerde tegen stewards van FC Utrecht en vervolgens de politie (de ME). Er werden onder meer stenen, drainageroosters, fietsen en vuurwerk gegooid in de richting van de politie en hun dienstvoertuigen. Ook werden glaspanelen aan de buitenzijde van het stadion geraakt, waardoor glas naar beneden viel. De rellen duurden van ongeveer 21:00 uur tot ongeveer 22:10 uur.
Vervolgens is onderzoek 03Waard24 gestart om de verantwoordelijke daders op te sporen en de schade op hen te kunnen verhalen. Uit de camerabeelden rondom Stadion Galgenwaard bleek dat de gebeurtenissen van de rellen waren vastgelegd. Daarnaast zijn ook door verschillende politiemedewerkers beelden gemaakt en zijn door externe partijen beelden aangeleverd. Naar aanleiding van het bekijken van die camerabeelden en het tonen van beelden op Opsporing Verzocht zijn diverse personen aangehouden, waaronder verdachte.
Verdachte wordt ervan beschuldigd mee te hebben gedaan aan de hiervoor genoemde rellen op 26 mei 2024.
4.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een groepslid van de ME. Het letsel kan volgens haar niet als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd. Het subsidiair tenlastegelegde is volgens haar wel wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft, door het gooien van een steen, geprobeerd om aan een ME-lid zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 subsidiair), maar dit is niet gelukt. Daarnaast kan volgens de officier van justitie feit 2, de openlijke geweldpleging, wettig en overtuigend worden bewezen.
4.3 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van feit 1, nu niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon is die de bewuste steen heeft gegooid. Wanneer de rechtbank oordeelt dat hij wel die persoon is, dan betreft dat volgens de raadsman alleen een mishandeling en niet een zware mishandeling (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair). Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman partieel vrijspraak bepleit van de openlijke geweldpleging aan de Tamboersdijk en de Israëlslaan en het afbreken van een slagboom.
4.4 Het oordeel van de rechtbank
4.4.1 Bewijsmiddelen mishandeling (feit 1) en openlijke geweldpleging (feit 2)
De rechtbank is op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 26 mei 2024 verbalisant [verbalisant 1] heeft mishandeld door een steen te gooien en dat verdachte zich toen schuldig heeft gemaakt aan gezamenlijke openlijke geweldpleging.
De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één feit.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting:
Tijdens de rellen op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard te Utrecht heb ik met stenen gegooid richting politieagenten bij de slagbomen en ik heb met een drainagerooster tegen een ME-dienstvoertuig geslagen.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte:
V: Wat kun je ons verklaren wat er op 26 mei 2024 is gebeurd in de nabije omgeving van voetbalstadion Galgenwaard in Utrecht?
A: Ik heb meegedaan met de rellen. Ik heb mij misdragen door met fietsen en stenen te gooien. En ik heb met een drain geslagen. Dat was een soort rooster van een regenafvoer.
O: We gaan terug naar het moment van de twee getoonde video's. Vervolgens gooi jij een stuk leisteen tegen de helm van een ME-er, die hierdoor het bewustzijn verliest.
V: Wat was jouw intentie bij het gooien van de stukken leisteen?
A: Ik heb bij de menigte gestaan en ik heb met stenen gegooid. Het kan zijn dat door mijn gooien een agent knock-out is gegaan.
Het loopverbaal over de rellen op 26 mei 2024 bij Stadion Galgenwaard:
Op 26 mei 2024 zijn er naar aanleiding van de voetbalwedstrijd tussen FC Utrecht en GAE rellen uitgebroken waarbij supporters zich tegen de politie keerden. De gebeurtenissen gebeurden in een tijdsbestek tussen 21:00 tot 22:10 uur. Direct na de wedstrijd gaan supporters van FC Utrecht om het stadion heen, naar de andere zijde van het stadion. Daar bevindt zich het uitvak waar de supporters van GAE zich bevinden. De supporters van FC Utrecht zoeken de confrontatie met de GAE-supporters. Vervolgens gaat één supporter van GAE op het dak staan en gooit met meerdere stenen naar beneden. Dit is aanleiding voor de supporters van FC Utrecht om met stenen terug te gooien. Hierbij worden glaspanelen aan de buitenzijde van het stadion geraakt. Terwijl de supporters van FC Utrecht de GAE-fans bestoken met stenen, komen de leden van de voetbal-eenheid en de beveiligers naar de betreffende plek om de supporters weg te sturen. De beveiligers sturen de supporters weg en daar ontstaat een opstootje. De leden van de ME moeten de beveiligers ondersteunen om de supporters weg te krijgen. De ME drijft de supporters richting de slagbomen van de ingang van de Galgenwaard. De supporters, of relschoppers, keren zich tegen de politie. Hierbij wordt door supporters geweld gebruikt door te schoppen en te slaan tegen de politie en tegen politievoertuigen. Ook worden er stenen gegooid. Deze stenen worden uit de grond gehaald. Deze worden door relschoppers kapot gemaakt om daar vervolgens mee te gooien richting/tegen de ME-linie.
De relschoppers begeven zich richting het [naam] . Aan de zijkant zijn ook de verschillende ME-bussen die aan de overzijde van [naam] worden gepositioneerd. De bestuurders van de ME-bussen lijken zich vast te rijden en dit wordt opgemerkt door relschoppers. Het geweld richt zich vervolgens tegen de ME-bussen. Hierbij wordt hard op een ME-bus ingeslagen met ijzeren drainageroosters, welke de relschoppers uit de grond halen. Anderen slaan met hun handen en broeksriemen tegen de ME-bus. Ook wordt er geschopt tegen de ME-bussen. Wanneer de ME-bus weg lijkt te komen, richten de relschoppers hun aandacht op de ME-bus die erachter staat. Ook hier worden ijzeren drainageroosters tegenaan gegooid en supporters schoppen en slaan tegen de bus. Een aantal relschoppers slaat met die drainageroosters in op het raam van de bestuurder van de ME-bus. Door het geweld begeeft het raam zich aan de bestuurderskant en ontstaat er een gat in het raam. De bestuurder voelt zich dusdanige bedreigd dat die besluit om door het gat vier waarschuwingsschoten af te vuren. Dit schrikt de relschoppers voor dat moment af. Snel daarna richten de relschoppers zich op de overige ME-bussen en de ME-linie. Na het geweld tegen de ME-bussen weet de ME de groep richting [naam] in te sluiten. De relschoppers roepen van alles, waaronder bedreigingen naar de politiemensen in de linie, er wordt geschopt en met tafelbladen gegooid richting de ME-linie.
De relschoppers worden vanaf [naam] richting het plein “geveegd” richting de Waterlinieweg. Daarbij is wederom te zien dat er meerdere stenen richting de linie en de ME-bussen worden gegooid. Gedurende de periode dat er door de relschoppers geweld wordt gebruikt, wordt voortdurend en vrijwel constant met verschillende voorwerpen richting de AE-bussen, ME-bussen en politiemensen die in de linie staan, gegooid. Dit zijn fietsen, stenen, en drainageroosters.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2]:
Op 26 mei 2024 was ik algemeen commandant tijdens de wedstrijd FC Utrecht - Go Ahead
Eagles. Ik zag dat een supporter op de motorkap van een ME-bus sprong en zich vasthield aan het veiligheidsrooster van de ME-bus. Hij stond te trappen op de motorkap van de ME-bus.
Proces-verbaal van aangifte namens Q-Park Nederland:
Op 26 mei 2024 werd een voetbalwedstrijd gespeeld in stadion Galgenwaard. Na afloop van deze wedstrijd vonden er rellen plaats. Bij deze rellen werd één van onze slagbomen bij de in/uitrit van de parkeerplaats vernield.
Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3]:
Op 26 mei 2024 werd ik ingezet als groepslid van de Mobiele Eenheid. Op dat moment zag ik dat collega's van de Voetbaleenheid belaagd werden door FC Utrecht supporters. Ik zag dat dit zowel fysiek als met materiaal gebeurde. Ik zag dat veel mensen van alles naar ons toe gooiden waaronder stoeptegels, aanstekers en fietslampjes. Ik zag dat een groep beveiligers van FC Utrecht de menigte probeerde te kalmeren. Ik zag dat ook deze beveiligers belaagd en geslagen werden. Ik zag dat straatpaaltjes uit de grond getrokken waren.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]:
Op 26 mei 2024 was ik in dienst en belast met een evenementendienst. Ik voerde mijn
neventaak uit bij de Mobiele Eenheid. Bij het verlaten van het ME-voertuig maakten wij een charge om de menigte uiteen te drijven. Ik zag dat er draineringsgoten uit de grond werden getrokken. Ik zag dat deze goten in onze richting werd gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]:
Op 26 mei 2024 trad ik op als lid van de Mobiele Eenheid bij stadion Galgenwaard te Utrecht. Er stond een grote mensenmassa. Al heel snel zag ik dat wij werden bekogeld met cobra's en fakkels. Op een gegeven moment zag ik dat een stuk vuurwerk direct achter mij op de grond valt. Ik zag dat vanuit de mensenmassa met stenen naar ons gegooid werd. Ik zag dat dit van die stenen waren die uit het wegdek kwamen, van die leien stenen. Ook zag ik dat verkeersborden de straat uit werden geknikt. Ik zag en voelde dat stenen in onze richting werden gegooid, die mij ook raakten op diverse plekken op mijn lijf. Opeens zag ik in een flits iets op mij afkomen en voelde direct een gigantisch harde klap op mijn hoofd. Ik voelde dat mijn nek naar achteren sloeg en ben toen "knock-out" gegaan. Ik voelde een pijn in mijn hoofd en in mijn nek.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5]:
De verdachte welke ik op 17 juni 2024 heb gehoord identificeerde zich voorafgaande aan het
verhoor als zijnde [verdachte] , geboren op [2001] te [geboorteplaats] . In het voornoemde verhoor zijn aan de verdachte diverse foto's getoond met daarop een persoon welke zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en zware mishandeling van een hulpverlener op 26 mei 2024. Ik herkende de persoon welke voor mij zat als de persoon op de aan hem getoonde foto's. Hiermee vaststellend dat de persoon welke voor mij zat dezelfde persoon was als aan hem getoond op de foto's.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6]:
Door mij zijn de volgende bestanden uitgekeken: Camera Q-Park NL/UT/GW E-1. Deze camera heeft zicht op de slagbomen van het parkeerterrein van Galgenwaard Uitvak-zijde. Om 21:04:55 uur is op de beelden een persoon (rode cirkel) te zien welke door politieambtenaren is herkend als zijnde [verdachte] . Op de bewegende beelden is het te zien dat [verdachte] een confrontatie aangaat met de ME die op linie staan bij de slagbomen.
Op bewegende beelden is te zien dat [verdachte] een onderbroek draagt vermoedelijk van het merk Australian met een blauwkleurige camouflage print (rode cirkel). Ook draagt hij vermoedelijk zwartkleurige gympen vermoedelijk van het merk Nike Air met een transparante zool. Op de beelden tussen 21:04:55 uur en 21:05:00 uur is ook te zien dat op de donkerkleurige spijkerbroek van [verdachte] twee donkere vlekken zitten, één aan de voorzijde op het linker onderbeen en één aan de achterzijde, kuit hoogte, van het rechter onderbeen. Op de bewegende beelden is om 21:05:41 uur te zien dat een persoon, welke qua signalement geheel overeenkomt met dat van [verdachte] , een steen gooit tegen de helm van een ME-er waardoor deze knock-out gaat en op de grond valt.
Ik herken de persoon die de steen tegen het hoofd van de ME-er gooit voor 100% procent als zijnde [verdachte] . Ik herken hem namelijk aan het volgende:
Ik zie dat de zwarte jas die hij draagt soortgelijk, dan wel identiek, is omdat deze dezelfde opvallende lichtkleurige rits, glimmende rozetjes ter hoogte van de kraag/kin, en lichtkleurige kleine embleem heeft ter hoogte van de linkerborst.
Ik zie dat hij geen riem draagt op de donkergrijze vale spijkerbroek en dat de broek soortgelijk, dan wel identiek, is bij de zakken zitten namelijk aan de voorzijde dezelfde vale horizontale strepen en op beide onderbenen zitten dezelfde opvallende vlekken welke identiek zijn qua vorm en positie.
Ik herken ook de gekleurde onderbroek, vermoedelijk van het merk Australian, die telkens boven zijn broek uitkomt.
Ik zie dat hij een lichte vermoedelijke rossige baardgroei heeft. [verdachte] heeft namelijk zichtbaar een licht donkerblond ietwat rossige baardgroei.
Ik zie dat zijn schoenen zwartkleurig en vermoedelijk van het merk Nike type Air Max zijn. Op dezelfde plek in de hak/hiel een lichtkleurige, vermoedelijk transparante, zool zit.
Ook zie ik dat hij dezelfde postuur en lengte heeft.
Ik zie dat de donkere zonnebril die hij op heeft ook qua model overeenkomt.(Vooral te zien op de beelden van de compilaties).
Tussen de groep hooligans, die omstreeks 21:05 uur ter hoogte van de slagbomen staan, zie ik geen andere personen lopen die deze voornoemde uiterlijke kenmerken hebben.
4.4.2 Bewijsoverwegingen feit 1
De rechtbank heeft op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte de persoon is die de bewuste steen tegen de helm van het ME-lid met nummer [verbalisant 1] (hierna: verbalisant [verbalisant 1] ) heeft gegooid. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verbalisant [verbalisant 6] beschrijft in zijn proces-verbaal de camerabeelden van het betreffende incident bij de slagbomen. Hij beschrijft hierbij steeds dezelfde persoon met hetzelfde signalement: onder meer zwartkleurige gympen, een donkerkleurige spijkerbroek waarop twee donkere vlekken zitten en een blauwkleurige onderbroek van het merk Australian. Hieruit maakt de rechtbank op dat verbalisant [verbalisant 6] dezelfde persoon op de beelden volgt en beschrijft. Die persoon is degene die de steen gooit, die tegen de helm van verbalisant [verbalisant 1] komt, waarna deze naar de grond gaat. Daarnaast herkent verbalisant [verbalisant 6] verdachte als de persoon die hij omschrijft. Deze herkenning vindt de rechtbank voldoende betrouwbaar. In de eerste plaats, omdat de herkenning op basis van bewegende beelden van voldoende kwaliteit heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats omdat het signalement dat hij opgeeft, waaronder een onderbroek voorzien van een lichtkleurige opdruk “Australian”, specifieke en onderscheidende kenmerken bevat. Uit zijn proces-verbaal volgt bovendien dat geen andere personen met hetzelfde signalement bij dat betreffende incident aanwezig zijn. Tot slot betrekt de rechtbank hierbij dat de verklaring van verdachte over zijn gedragingen bij de slagboom passen in de beschreven gedragingen van de persoon die verbalisant [verbalisant 6] beschrijft. Verdachte heeft namelijk zelf bevestigd dat hij op de locatie bij de slagbomen met stenen en een fiets heeft gegooid en dat het kan zijn dat door het gooien van die stenen een agent knock-out is gegaan. Gelet op het voorgaande, in samenhang met elkaar bezien, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat verdachte de persoon is die de bewuste steen tegen de helm van verbalisant [verbalisant 1] heeft gegooid.
Primair - zwaar lichamelijk letsel?
De vraag is of verdachte door het gooien van de bewuste steen tegen de helm van verbalisant [verbalisant 1] , zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan verbalisant [verbalisant 1] . Voor de beantwoording van die vraag kijkt de rechtbank naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel.
Uit het dossier volgt dat verbalisant [verbalisant 1] door de steen die tegen zijn helm kwam, enige tijd buiten bewustzijn is geweest en door de klap een hersenschudding zou hebben opgelopen. Uit het dossier volgt niet dat medisch ingrijpen noodzakelijk was of dat er geen uitzicht was op volledig herstel. Uit vaste jurisprudentie blijkt daarnaast dat een hersenschudding in beginsel niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte geen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan verbalisant [verbalisant 1] . Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 primair.
Subsidiair - poging zware mishandeling?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte door het gooien van de betreffende steen, geprobeerd heeft om aan verbalisant [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het dossier blijkt dat verdachte de steen gooide tijdens grootschalige rellen. Net als meerdere mededaders, heeft hij daarbij stenen richting ME’ers gegooid. Uit die handeling volgt op zichzelf beschouwd niet dat verdachte het volle opzet had om verbalisant [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het juichen, zoals verdachte op de beelden lijkt te doen nadat verbalisant [verbalisant 1] naar de grond is gegaan, kan dat volle opzet ook niet worden afgeleid.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Hierbij is van belang of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept en dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Zoals hiervoor al is beschreven, volgt uit het dossier dat verdachte tijdens het rellen een steen tegen de helm van verbalisant [verbalisant 1] heeft gegooid, waardoor de verbalisant kort zijn bewustzijn verloor. Ook volgt uit het dossier dat de verbalisant een ME-uniform droeg, bestaande uit een helm en beschermende kleding. Het gooien van een steen richting een hoofd levert in algemene zin een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Wanneer het hoofd echter wordt beschermd door een helm die er juist voor is bedoeld (zwaar) letsel bij (hevige) rellen te voorkomen, ontbreekt deze aanmerkelijke kans naar het oordeel van de rechtbank wanneer het dossier daarover geen nadere onderbouwing bevat. Dat geen van de ME’ers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, terwijl er veelvuldig met stenen in hun richting is gegooid, is voor de rechtbank een extra aanwijzing dat er geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan door het handelen van verdachte. Nu de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel onder de gegeven feiten en omstandigheden niet kan worden aangenomen, zal verdachte ook worden vrijgesproken van feit 1 subsidiair.
Meer subsidiair - mishandeling
Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte verbalisant [verbalisant 1] heeft mishandeld, nu de verbalisant pijn in zijn hoofd en nek had doordat verdachte een steen tegen zijn helm heeft gegooid.
4.4.3 Bewijsoverwegingen feit 2 – openlijke geweldpleging
Eén openlijke geweldpleging?
In het dossier worden de locaties waar geweld heeft plaatsgevonden aangeduid met locatie 1 tot en met 7. Het geweld startte buiten het stadion ter hoogte van het uitvak waar de GAE supports zich bevonden (locatie 1). Daarna verplaatste het geweld zich naar de slagbomen van de ingang van het stadion (locatie 2). Vervolgens werd het geweld voortgezet tussen de slagbomen en [naam] (locatie 3) en voor [naam] (locatie 4). Daarna werden er nog voorwerpen gegooid op het moment dat de ME de laatste charge uitvoerde, waarbij de supporters in de richting van de Waterlinieweg werden “geveegd” (locatie 5: het plein). Tot slot werden aan de andere kant van de Waterlinieweg – aan de Tamboersdijk en de Israëlslaan (locaties 6 en 7) – leden van de aanhoudingseenheid van de politie door een groep supporters achterna gezeten. Op deze laatste locaties hebben supporters ook stenen en andere voorwerpen gegooid in de richting van politiebussen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openlijke geweldpleging die is begonnen bij het stadion (locaties 1 tot en met 5) zich heeft voorgezet op de Tamboersdijk en de Israëlslaan (locaties 6 en 7) aan de andere kant van de Waterlinieweg en dat de geweldshandelingen op locaties 1 tot en met 7 als één openlijke geweldpleging moet worden gezien. Dat de groep supporters daar – mede door het ingrijpen van de ME – een stuk kleiner is geworden, doet daar volgens haar niet aan af.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het geweld op en rondom het Herculesplein (locaties 1 tot en met 5) worden aangemerkt als één geheel van geweldshandelingen dat in vereniging door de groep supporters is gepleegd en legt dit als volgt uit.
Zoals hierboven beschreven voltrok het geweld zich op verschillende plekken op en rondom het Herculesplein op een geringe afstand van elkaar, in een tijdsbestek van maximaal 70 minuten, waarbij supporters zich voortdurend met geweld tegen de politie keerden. De locaties lagen zo dicht bij elkaar dat geweld en vuurwerk op elk van deze plekken te zien moet zijn geweest en het afgaan van zwaar vuurwerk moet op al die plekken te horen zijn geweest. Op de locaties 1 tot en met 5, op en rond het Herculesplein, deed zich aldus een groepsdynamiek voor waarbij de supporters op elkaar reageerden door mee te doen aan de gewelddadigheden. Er ontstond een sfeer van ontremming waarin het gewelddadige gedrag van de één heeft bevorderd dat de ander mee ging doen of mee bleef doen met het plegen van geweld en waarin het geweld bleef voortduren. De rechtbank ziet de geweldshandelingen die plaatsvonden op locaties 1 tot en met 5, op en rondom het Herculesplein in Utrecht, daarom als één openlijke geweldpleging.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het geweld aan de andere kant van de Waterlinieweg (locaties 6 en 7, de Tamboersdijk en de Israëlslaan) strafrechtelijk aan een verdachte kan worden toegerekend, waarvan enkel is gebleken dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het geweld aan de stadionzijde van de Waterlinieweg (op en rondom het Herculesplein). De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat dit geweld op een wezenlijk andere locatie plaatsvond dan het geweld op en rondom het Herculesplein. Ook lijkt uit het dossier te volgen dat het gepleegde geweld aan de andere kant van de Waterlinieweg niet direct gevolgd is op het geweld op en rondom het Herculesplein, daar heeft enige tijd tussen gezeten. Uit het dossier komt ook niet duidelijk naar voren dat het op en rondom het Herculesplein gepleegde geweld door min of meer dezelfde groep is voortgezet aan de andere kant van de Waterlinieweg. Het ontbreekt in het algemeen dossier ook aan processen-verbaal die een duidelijk overzicht geven van alle geweldsincidenten op de verschillende plekken en hoe die zich tot elkaar verhouden qua tijd en groepssamenstelling. Het dossier bevat bijvoorbeeld geen algemene beschrijving van alle camerabeelden, die het verloop van de geweldplegingen op de verschillende locaties wellicht inzichtelijk had kunnen maken.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het geweld op de Tamboersdijk en de Israëlslaan dan ook niet worden aangemerkt als zodanig onderdeel van het door de supporters gepleegde geweld op en rondom het Herculesplein, dat dat geweld kan worden toegerekend aan de supporters die op en rondom het Herculesplein openlijk geweld heeft gepleegd. Verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken, nu niet is gebleken dat verdachte op de Tamboersdijk en/of Israëlslaan betrokken is geweest bij het gepleegde geweld.
Handelen van verdachte
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte medepleger is van het door de groep supporters openlijk gepleegd geweld op en rondom het Herculesplein en, zo ja, voor welk openlijk gepleegd geweld hij strafrechtelijk aansprakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat voor het in vereniging plegen van openlijk geweld sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan de geweldpleging voldoende significant of wezenlijk is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte tijdens de rellen fietsen, stenen en een drainagerooster in de richting van de politie, dan wel hun dienstvoertuigen heeft gegooid. Door deze geweldshandelingen te plegen was verdachte niet slechts een omstander, maar heeft hij een actief aandeel gehad in het gepleegde geweld. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan een sfeer van ontremming waarin anderen (ook) zijn overgegaan tot het plegen van geweld. Het kan niet anders dan dat verdachte heeft gezien dat ook anderen geweld pleegden. Hiermee staat vast dat verdachte (ook) opzet heeft gehad op de geweldshandelingen van de groep supporters en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Gelet op het voorgaande was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met andere supporters die zich tegen de politie hadden gekeerd. Ook al het geweld dat feitelijk door anderen op en rondom het Herculesplein is gepleegd, is daarom verdachte strafrechtelijk aan te rekenen.
De rechtbank overweegt daarbij dat niet relevant is of het door verdachte gepleegde geweld uitsluitend gericht is geweest tegen goederen. Ook het tegen goederen gerichte geweld was naar het oordeel van de rechtbank mede gericht tegen personen. Geweld gericht tegen de politiebussen was ook gericht op de inzittenden van die bussen. Geweld richting het stadion was ook gericht tegen de aldaar aanwezige uitsupporters en geweld gericht tegen andere goederen was bedoeld om voorwerpen te verkrijgen die vervolgens tegen de politie gebruikt konden worden. Daarnaast kan ook het gooien van zwaar vuurwerk (cobra’s) aan de hele groep, en daarmee aan verdachte, worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze geweldshandelingen niet zozeer buiten wat deelnemers aan de geweldplegingen hadden kunnen verwachten, dat het gooien van zwaar vuurwerk enkel de daadwerkelijke plegers daarvan valt aan te rekenen. Daarvoor is van belang dat het gebruik van zwaar (illegaal) vuurwerk rond voetbalrellen niet ongebruikelijk is, dat het afgaan van dergelijk vuurwerk voor iedereen hoorbaar moet zijn geweest en dat ook in het stadion al met vuurwerk was gegooid.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 26 mei 2024 op en rondom het Herculesplein in Utrecht openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen.
5 BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
op 26 mei 2024 te Utrecht een groepslid van de Mobiele Eenheid, bekend onder nummer [verbalisant 1] , heeft mishandeld door een steen te gooien;
feit 2
op 26 mei 2024 te Utrecht openlijk, te weten op en rondom het Herculesplein, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen
politieagenten, stewards en/of andere personen, door
- stenen, fietsen, drainageroosters, fakkels en/of vuurwerk, althans voorwerpen, in de richting van / tegen voornoemde agenten, stewards en/of andere personen te gooien en
- trappende en/of slaande bewegingen te maken in de richting van voornoemde agenten en/of stewards en/of andere personen en
en
een of meerdere dienstvoertuigen van de politie, fietsen, bestratingen, drainageroosters, paaltjes, een slagboom, ruiten van het voetbalstadion en/of de aldaar gevestigde bedrijven, door
- stenen, drainageroosters en/of paaltjes uit de grond te trekken,
- stenen en/of drainageroosters, en voorwerpen tegen voornoemde dienstvoertuigen, de ruiten van het stadion en/of de aldaar gevestigde bedrijven te gooien,
- tegen voornoemde dienstvoertuigen te trappen en/of met vuisten, drainageroosters en/of riemen te slaan,
- op de motorkap van een dienstvoertuig te staan,
- met fietsen te gooien en
- een slagboom af te breken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1
mishandeling
feit 2
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
8.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden het meewerken aan reclasseringstoezicht en ambulante behandeling.
Daarnaast heeft de officier van justitie de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd, namelijk een locatieverbod voor de duur van vijf jaren, met vervangende hechtenis van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van zes maanden. Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich op de dag van een thuiswedstrijd of een andere activiteit van FC Utrecht vanaf vier uren vóór tot vier uren na de wedstrijd of activiteit niet mag ophouden in het gebied rond Stadion Galgenwaard. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, de meldplicht en ambulante behandeling, op te leggen in combinatie met de maximale taakstraf van 240 uren.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Op 26 mei 2024 hebben rellen plaatsgevonden bij Stadion Galgenwaard in Utrecht. Tijdens deze rellen heeft een grote groep FC Utrecht-supporters veel geweld gebruikt. Dit geweld heeft zich zowel gericht tegen personen, waaronder stewards van FC Utrecht, leden van de ME en andere politieagenten, als tegen goederen, waaronder het stadion en politiebussen. Ervaren leden van de ME hadden geweld als dit naar eigen zeggen niet eerder meegemaakt. De groep relschoppers gebruikten alles wat los en vast zat om naar de ME en hun dienstvoertuigen te gooien, waaronder stenen, fietsen en drainageroosters. Paaltjes werden uit de grond getrokken, tegels kapotgemaakt om met stukken daarvan te gooien en ook een slagboom werd gesloopt. Een aantal ME’ers beschreef de rellen als een oorlogssituatie, mede omdat er gegooid werd met brandende fakkels en zwaar vuurwerk (cobra’s). Door dit zware vuurwerk heeft een aantal ME’ers gehoorschade en tinnitus opgelopen. Uit de processen-verbaal van bevindingen en de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij volgt dat met name het geweld bij de slagbomen, waarbij relschoppers van een relatief korte afstand stenen gooiden naar leden van de ME die daar in linie stonden opgesteld, en het moment waarbij twee politiebussen door een grote groep relschoppers werden belaagd, een grote impact hebben gehad. Zo voelde de chauffeur van één van de bussen zich zo in het nauw gedreven en bedreigd, dat hij waarschuwingsschoten heeft gelost om de relschoppers op afstand te houden. Verder zijn politiemensen gewond geraakt, waarbij één ME-lid zelfs kort bewusteloos is geweest doordat een forse steen tegen zijn helm was gegooid.
De relschoppers hebben met hun gezamenlijk handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de betrokken ME’ers en andere politieagenten. De impact op stewards, politiemensen en andere hulpverleners is bij dergelijke rellen vaak groot. Zo ook in dit geval. Zij zijn met grof geweld geconfronteerd, terwijl zij er juist voor proberen te zorgen dat iedereen op een normale manier naar een voetbalwedstrijd kan gaan. De inzet van de ME is er juist op gericht om de veiligheid van eenieder te garanderen. Dat leden van de ME tijdens hun werk op een dergelijke wijze zijn belaagd, vindt de rechtbank dan ook onacceptabel. Daarnaast hebben de relschoppers grote materiële schade aangericht. Niet alleen de politiebussen zijn beschadigd geraakt, ook zijn de bestrating, straatmeubilair, ruiten van het stadion en een slagboom vernield. Verder stond het plein voor het stadion tijdens de rellen vol met mensen, die net de voetbalwedstrijd in het stadion hadden bekeken. Daar waren ook kinderen bij. Het is goed voorstelbaar dat de rellen ook bij deze omstanders een angstig gevoel hebben veroorzaakt. Een steen, een ander voorwerp of zelfs vuurwerk had ook zomaar één van hen kunnen raken. Dit soort rellen verpest dan ook het plezier waar het voor de gewone supporters bij voetbalwedstrijden om gaat en leidt tot gevoelens van angst, boosheid en onveiligheid bij de gewone supporters en in de rest van de samenleving.
Strafoplegging in het algemeen
Het is begrijpelijk dat er behoefte is om het wangedrag dat hierboven is omschreven een halt toe te roepen en de daders ervan streng te straffen, zoals wel blijkt uit de hoge strafeisen die in de verschillende zaken zijn gedaan. Het bepalen van de strafmaat in dit soort zaken is ingewikkeld omdat enerzijds onder de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging een breed scala van geweld kan worden geschaard, terwijl anderzijds de bijdrage van de ene deelnemer sterk kan verschillen van die van een ander. Dat is ook in deze zaak het geval. De individuele handelingen van verdachten lopen uiteen van het gooien van twee voorwerpen tot het op verschillende plekken meedoen aan grove geweldshandelingen, zoals het gooien van en slaan met stalen drainageroosters tegen politiebussen, waardoor waarschuwingsschoten zijn gelost. Welke strafrechtelijke reactie passend en geboden is, zal afhangen van de concrete feiten en omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Daarbij kent de rechtbank zwaar gewicht toe aan de geweldshandelingen die de betreffende verdachte heeft verricht, zonder dat de ernst van de geweldpleging als geheel uit het oog wordt verloren. Ook de proceshouding van de verdachten verschilt. De één heeft spijt betuigd, terwijl de ander zich nog steeds, ook na het bekijken van de heftige camerabeelden, in stilzwijgen hult. De houding van verschillende verdachten op zitting valt moeilijk te rijmen met het vaak grove geweld dat te zien was op de beelden. Daarbij komt dat het geweld dat iedere verdachte heeft gebruikt niet op zichzelf staat, maar mede voor een ontremmende sfeer heeft gezorgd en heeft bijgedragen aan verdere escalatie van het geweld als geheel. Niet iedere verdachte lijkt zich hiervan bewust.
De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) suggereren voor openlijke geweldpleging in beginsel een taakstraf. De rechtbank vindt deze oriëntatiepunten echter niet passend in de context van zulke grootschalige voetbalrellen. De ernst van de openlijke geweldpleging en van de gevolgen zijn daarvoor te groot.
In de gevallen waarin sprake is van een forse bijdrage aan het geweld, eventueel in combinatie met een bijdrage op verschillende plekken, vindt de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De naar het oordeel van de rechtbank ernstigste vormen van geweld hebben bestaan uit het gooien van zwaar vuurwerk en het inslaan op politiebussen met metalen drainageroosters. De verdachten die dergelijke geweldplegingen zelf hebben begaan, worden in beginsel bestraft met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij merkt de rechtbank op dat van geen enkele verdachte kan worden vastgesteld dat hij met zwaar vuurwerk heeft gegooid. Als sprake is van een geringere bijdrage aan het geweld, terwijl ook de persoonlijke omstandigheden hiertoe aanleiding geven (bijvoorbeeld de minderjarigheid of jonge leeftijd van een verdachte), acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Om op verantwoorde wijze toch recht te doen aan de strafdoelen van vergelding en speciale preventie, legt de rechtbank in die gevallen daarnaast een flinke taakstraf op. Bij een zeer gering aandeel volstaat de rechtbank met een taakstraf, zonder daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Per zaak en per verdachte heeft de rechtbank steeds alle aspecten afgewogen en vervolgens een beslissing genomen.
Strafoplegging bij verdachte
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank, zoals gezegd, rekening gehouden met zijn aandeel in de geweldshandelingen en met zijn persoonlijke omstandigheden.
Aandeel in geweld
Verdachte heeft tijdens de rellen op verschillende plekken een bijdrage geleverd aan het geweld. Hij heeft fietsen en stenen in de richting van de ME gegooid. Dit was bij de slagbomen, waar - zoals hierboven staat beschreven - het geweld door de ME’ers als zeer heftig is ervaren. Ook heeft verdachte met een drainagerooster acht keer op een politiebus ingeslagen. De situatie bij de politiebussen heeft - zoals hierboven ook staat beschreven - op de inzittenden van die bussen een grote impact gehad. Verdachte heeft dus een aandeel gehad bij twee van de heftigere situaties tijdens de rellen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte een lid van de ME mishandeld door een forse steen tegen de helm van die ME’er te gooien. Dat ME-lid is daardoor kort bewusteloos geraakt. Verdachte heeft, in vergelijking met veel van zijn mededaders, een groot aandeel gehad in het geweld.
Gelet hierop en in aanmerking genomen wat hiervoor in de algemene overweging is opgenomen, rechtvaardigt het handelen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte (‘strafblad’) van 28 oktober 2024. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van een reclasseringsrapport over verdachte. Uit dit rapport volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van ADHD, problemen in de agressieregulering en een stemmingsstoornis. Daarnaast heeft verdachte in de periode van het ten laste gelegde druk ervaren vanwege de ziekte van zijn moeder en de verstoorde relatie met één van zijn broers. In het rapport wordt verder beschreven dat verdachte zich houdt aan de schorsingsvoorwaarden die hem in het kader van de voorlopige hechtenis in deze zaak zijn opgelegd. Hij komt zijn afspraken na en heeft zelf de wens om geholpen te worden bij zijn problematiek. Verdachte kan gedrag bij zichzelf (h)erkennen en heeft een hulpvraag waar hij mee aan de slag is gegaan. Het verlies van zijn baan als gevolg van deze strafzaak, heeft op verdachte grote indruk gemaakt. De reclassering schat de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt laag in en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van een meldplicht en ambulante behandeling.
Een en ander maakt dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een gevangenisstraf van tien maanden passend en geboden vindt. Gelet op het advies van de reclassering en het feit dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en met zijn problemen aan de slag is gegaan, ziet de rechtbank aanleiding om de helft van deze gevangenisstraf (vijf maanden) voorwaardelijk op te leggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient ertoe om verdachte de door de reclassering geadviseerde hulp en begeleiding te geven die hij wil en nodig heeft, om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en zodat verdachte bij eventuele toekomstige rellen de keuze maakt om afstand te nemen en niet mee te doen aan het geweld.
Maatregel in de zin van artikel 38v Sr
Daarnaast zal de rechtbank om strafbare feiten te voorkomen een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr opleggen, namelijk een gebiedsverbod, en bevelen dat verdachte zich vanaf vier uur vóór tot vier uur na een thuiswedstrijd of een andere activiteit van FC Utrecht niet op mag houden in Stadion Galgenwaard en het gebied er omheen. Het gaat hierbij om het gebied dat wordt omsloten door de Herculeslaan, de Laan van Maarschalkerweerd, de Kromme Rijn en de Waterlinieweg. De Waterlinieweg zelf valt hier niet onder. Hoewel civiele stadionverboden zijn opgelegd, ziet de rechtbank toegevoegde waarde in deze maatregel, omdat deze strikter kan worden gehandhaafd dan de civiele verboden. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor drie jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis van één week per overtreding worden opgelegd, met een maximumduur van zes maanden. De rechtbank zal deze maatregel niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, zoals door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank onvoldoende aanwijzingen ziet dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen.
Conclusie
De rechtbank zal, alles afwegende, een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden, in combinatie met de genoemde vrijheidsbeperkende maatregel, opleggen.
Voorlopige hechtenis
Bij een aantal verdachten is voorlopige hechtenis bevolen, waarna dit bevel onder voorwaarden is geschorst. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten, ook een eventuele procedure in hoger beroep. Daarnaast is niet tegen alle verdachten aan wie de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, de voorlopige hechtenis bevolen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het laten voortduren van de schorsing. Dit maakt dat de rechtbank in deze zaak het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen, zodat alle verdachten aan wie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk worden behandeld.
9 BENADEELDE PARTIJEN
Deze strafzaak is één van de 28 strafzaken binnen onderzoek 03Waard24, waarin op 4, 6 en 13 december 2024 de inhoudelijke behandeling gepland stond. 23 agenten hebben zich in alle strafzaken als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. In deze vorderingen zijn geen persoonsgegevens van de agenten opgegeven, maar enkel een zogenoemd T-nummer. Verschillende advocaten van verdachten hebben aangevoerd dat het niet mogelijk is om onder dit T-nummer een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Op de eerste zittingsdag heeft de rechtbank bepaald dat zij eerst op dit formele punt zal besluiten, voordat die vorderingen benadeelde partij eventueel inhoudelijk worden besproken.
Op 19 december 2024 heeft de rechtbank in een tussenbeslissing geoordeeld dat het voor de ontvankelijkheid van een benadeelde partij vereist is dat die zijn naam en geboortedatum kenbaar maakt. Voor de volledige motivering wordt verwezen naar de tussenbeslissing die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht. De rechtbank heeft in haar tussenbeslissing geconcludeerd dat een benadeelde partij die zonder opgave van naam en geboortedatum - maar enkel door opgave van een T-nummer - een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, om die reden (kennelijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank heeft daarbij de benadeelde partijen die onder T-nummer een vordering hebben ingediend, de gelegenheid gegeven om binnen zeven werkdagen na de tussenbeslissing hun naam en geboortedatum alsnog kenbaar te maken.
Vervolgens heeft de rechtbank op 30 december 2024 van mr. E. Ceulen een e-mail ontvangen met daarbij van de volgende 14 benadeelde partijen hun vorderingen tot schadevergoeding met hun naam en geboortedatum: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] , [benadeelde 12] , [benadeelde 13] en [benadeelde 14] .
Het voorgaande brengt met zich dat, met verwijzing naar de tussenbeslissing van 19 december 2024, de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen: [benadeelde 15] , [benadeelde 16] , [benadeelde 17] , [verbalisant 4] , [benadeelde 18] , [benadeelde 19] , [benadeelde 20] , [benadeelde 21] en [benadeelde 22] .
Op de zittingen van 13 en 14 januari 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen die hun naam en geboortedatum (alsnog) kenbaar hebben gemaakt en de vorderingen van de rechtspersonen behandeld. Voordat de rechtbank ingaat op die vorderingen, bespreekt de rechtbank eerst drie algemene verweren die door de verdediging naar voren zijn gebracht.
9.1 Herstelmogelijheid anonieme agenten
Zoals hiervoor is beschreven heeft de rechtbank, bij tussenbeslissing van 19 december 2024, de benadeelde partijen die onder T-nummer een vordering tot schadevergoeding hadden ingediend in de gelegenheid gesteld om alsnog hun naam en geboortedatum kenbaar te maken. Volgens de verdediging is dit in strijd met artikel 51g lid 3 Sv. Dat artikel bepaalt dat een benadeelde partij zich ter zitting tot aanvang van het requisitoir kan voegen door opgave van de schade. In dit geval hebben de benadeelde partijen na (een deel van) het requisitoir hun naam en geboortedatum kenbaar gemaakt, wat volgens de verdediging tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft het alsnog kenbaar maken van de naam en geboortedatum door 14 benadeelde partijen, geen ter zitting gedane opgave van de schade zoals bedoeld in 51g lid 3 Sv. De benadeelde partijen hadden (al) voorafgaand aan de eerste zittingsdag, en daarmee tijdig, een vordering tot schadevergoeding ingediend en daarmee de opgave van hun schade gedaan op grond van artikel 51g lid 1 Sv. Van een nieuwe voeging is geen sprake, er is enkel een gebrek hersteld. Deze herstelmogelijkheid is geboden met het oog op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dat de benadeelde partijen worden bijgestaan door een deskundig advocaat, maakt niet dat die gelegenheid niet geboden had mogen worden. Ook was het niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde om op T-nummer een vordering in te dienen. Uit de jurisprudentie leek namelijk het eenduidige beeld naar voren te komen dat dit wel mogelijk was. Het is daarom begrijpelijk dat de benadeelde partijen en hun advocaten hierop hebben vertrouwd, zoals ook in de tussenbeslissing is overwogen.
9.2 Onevenredige belasting strafproces?
9.2.1 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Hiertoe is - kort gezegd - naar voren gebracht dat schriftelijke rondes over de vorderingen zijn ingelast, dat extra zittingsdagen zijn ingepland om de vorderingen te kunnen behandelen, dat het ter zitting langer is gegaan over de vorderingen dan over de strafzaken en dat de omvang van de vorderingen de reden is geweest om de zaken bij een meervoudige kamer aan te brengen in plaats van bij de politierechter. De hoeveelheid vorderingen én de complexiteit daarvan maken volgens de verdediging dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Het gaat volgens de verdediging om ingewikkelde civielrechtelijke materie, waaronder de vraag of sprake is van groepsaansprakelijkheid, en een strafrechtadvocaat is op dat vlak niet gespecialiseerd, terwijl de benadeelde partijen zich wel kunnen laten bijstaan door een op dat vlak gespecialiseerde gemachtigde/advocaat.
9.2.2 Het standpunt van de benadeelde partijen en de officier van justitie
De benadeelde partijen en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat behandeling van de vorderingen geen onevenredige belasting oplevert. Zij hebben daarbij onder meer gewezen op soortgelijke strafzaken, waarin een grote hoeveelheid vorderingen van benadeelde partijen is behandeld.
9.2.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het criterium van de onevenredige belasting met ingang van 1 januari 2011 in de plaats is gekomen van het oude criterium dat de vordering benadeelde partij naar het oordeel van de rechter niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Het nieuwe criterium strekt ertoe dat de strafrechter de civiele vordering zoveel mogelijk inhoudelijk beoordeelt. Uit de wet, wetsgeschiedenis en jurisprudentie komt geen eenduidig beeld naar voren wanneer sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Wel komt daaruit naar voren dat daarvan sprake kan zijn wanneer een vordering naar haar inhoud erg ingewikkeld is of een verdere behandeling van de vordering (bijvoorbeeld omdat bewijslevering nodig is) leidt tot vertraging van de strafzaak.
In de strafzaken binnen onderzoek 03Waard24 is veel (zittings)tijd besteed aan de vorderingen benadeelde partij. Zeker in de zaken waarbij de verdachte heeft bekend te hebben deelgenomen aan het openlijke geweld, heeft het zwaartepunt van de behandeling gelegen bij de vorderingen benadeelde partij en niet bij de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer mee dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Het gaat in deze zaken om een verdenking van deelname aan grootschalige voetbalrellen, waarbij veel personen betrokken waren en waarbij veel schade is veroorzaakt. De rechtbank heeft verspreid over meerdere zittingsdagen strafzaken behandeld tegen 28 verdachten, in eerste instantie 26 vorderingen tot schadevergoeding behandeld op het formele punt van het voegen op nummer en uiteindelijk 19 vorderingen inhoudelijk behandeld. De aard en ernst van deze zaken brengen mee dat sprake is van veel partijen die schadevergoeding vorderen. Tegen die achtergrond en mede gelet op het belang dat benadeelde partijen erbij hebben om op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, is de rechtbank van oordeel dat het aantal vorderingen tot schadevergoeding en de daarmee gepaard gaande zittingstijd niet maakt dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Hierbij heeft de rechtbank verder betrokken dat de vorderingen naar hun aard niet ingewikkeld zijn. Het gaat om overzichtelijke vorderingen tot vergoeding van immateriële schade en drie vorderingen tot vergoeding van materiële schade, welke schade het directe gevolg zou zijn van het gepleegde openlijk geweld.
De vorderingen tot schadevergoeding zien in totaal op een hoog bedrag. Hoofdelijke toewijzing daarvan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, kunnen ingrijpende consequenties hebben voor de verdachten. De rechtbank heeft daarom mede in het licht van artikel 6, eerste lid, van het EVRM beoordeeld of de verdachten en de benadeelde partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van de vorderingen genoegzaam naar voren te brengen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Partijen hebben de gelegenheid gehad om in een schriftelijke ronde hun standpunten naar voren te brengen en hebben ook ter zitting de ruimte gekregen datgene naar voren te brengen wat zij wensten. Dat de advocaten van de verdachten geen civielrechtelijke specialisten zijn, wordt voor zover nodig voldoende gecompenseerd doordat de rechtbank de verweren, die met betrekking tot de vorderingen benadeelde partij zijn gevoerd in de individuele strafzaken, in elke zaak betrekt.
9.3 OM-hoorzittingen
De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vorderingen, omdat een deel van de (geïdentificeerde) verdachten niet is gedagvaard maar voor een OM-hoorzitting wordt uitgenodigd. De schade van de benadeelde partijen kan daar niet op eenzelfde wijze worden afgedaan als door de rechtbank, wat volgens de verdediging in strijd is met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Als dit standpunt niet wordt gevolgd, verzoekt de verdediging om aanhouding om af te wachten hoe de schade op de OM-hoorzittingen wordt afgehandeld.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het is aan het Openbaar Ministerie om te kiezen of en op wat voor manier een verdachte wordt vervolgd. Die keuze kan niet aan de benadeelde partijen worden tegengeworpen. De omstandigheid dat er meer verdachten zijn, maakt niet dat in deze zaak geen beslissingen genomen kunnen worden over de (groeps)aansprakelijkheid van de verdachten die terechtstaan voor de gevorderde schade. Daarnaast geldt dat verdachten eventueel te veel betaalde schadevergoeding op grond van 6:166, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen verhalen op medeverdachten die bij een OM-hoorzitting zijn uitgenodigd. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek tot aanhouding van de behandeling van strafzaken afwijzen.
9.4 Vorderingen benadeelde partijen
Standpunten officier van justitie en verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben verschillende standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. De rechtbank zal daar hierna, voor zover nodig, op ingaan.
9.4.1 Algemene uitgangspunten en overwegingen
De rechtbank zal per vordering beoordelen of de gevraagde schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van alle vorderingen overweegt de rechtbank het volgende.
Groepsaansprakelijkheid
Artikel 6:166, eerste lid, BW bepaalt dat als één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het toebrengen van schade de deelnemers van de groep had behoren te weerhouden van hun gedrag in groepsverband, de deelnemers van die groep hoofdelijk aansprakelijk zijn wanneer deze gedragingen hen kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat als schade niet door een verdachte zelf is veroorzaakt, die verdachte toch als deelnemer aan het groepsgeweld civielrechtelijk aansprakelijk is voor alle door de groep veroorzaakte schade. De rechtbank is van oordeel dat dit ook in deze zaak geldt. Het geweld door de groep supporters tijdens de rellen op 26 mei 2024 heeft de reële kans opgeleverd dat aan politieagenten en goederen schade werd toegebracht, bijvoorbeeld omdat vanuit de groep met stenen en andere voorwerpen werd gegooid. Daarbij geldt dat de ene geweldpleger zich gesterkt voelde door de andere geweldplegers en er dus gemakkelijk escalatie optrad. Die kans had verdachte behoren te weerhouden van zijn gedrag in groepsverband. Nu hij dat gedrag toch heeft laten zien en toch aan de groep heeft deelgenomen, kan hij civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden tot vergoeding van de totale schade die door de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging is toegebracht.
Het voorgaande geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de schade als gevolg van het afsteken van zwaar vuurwerk, zoals gehoorschade en tinnitus. De deelnemers van de groep die geweld heeft gepleegd, wisten of hoorden op zijn minst te begrijpen dat hun groepsoptreden tijdens de rellen het gevaar schiep dat zwaar vuurwerk werd afgestoken en dat daardoor schade zou ontstaan. Het is immers niet uitzonderlijk dat voor, tijdens en/of na voetbalwedstrijden zwaar vuurwerk wordt afgestoken. Daarnaast kan het niet anders zijn dat alle deelnemers van de groep die geweld heeft gepleegd het afgestoken vuurwerk hebben gehoord en/of gezien, door de harde knallen en de rook. De rechtbank vindt dat daarmee voor de deelnemers van de groep duidelijk was dat de kans op het veroorzaken van gehoorschade door het afsteken van zwaar vuurwerk aanwezig was.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat een verdachte ook civielrechtelijke aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt nadat hij is weggegaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat het voor een verdachte voorzienbaar was dat, door zijn gedrag in groepsverband, schade zou worden toegebracht en dat dit nog zou kunnen doorgaan na het einde van zijn deelname hieraan. Met zijn geweldshandelingen heeft elke verdachte immers een bijdrage geleverd aan de ontremmende en gewelddadige sfeer binnen de groep. Dit geldt ook voor schade die is veroorzaakt op het moment dat een verdachte nog geen deelnemer was van de groep. Die verdachte heeft door mee te doen aan de rellen die al bezig waren daar bewust voor gekozen, terwijl hij hiervan ook afstand had kunnen nemen. Ook voor schade die is veroorzaakt door de groep voordat een verdachte deelnam aan het groepsgeweld van die groep, is hij dus civielrechtelijk aansprakelijk.
Hoofdelijkheid
De verdediging heeft bepleit om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid en heeft hierbij onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Assen van 15 oktober 2010. De rechtbank Assen heeft in dat vonnis overwogen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als de vervolgde verdachten hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de totale schade. In die zaak ging het ook om geweld dat was gepleegd door een grote groep supporters tegen politieagenten en werden acht verdachten vervolgd, die volgens de rechtbank Assen niet het grootste aandeel hadden in dat geweld. Deze omstandigheden zijn in deze zaak anders. In deze zaak zijn (vooralsnog) 28 verdachten vervolgd, waarvan bij een groot deel niet kan worden gezegd dat zij een klein aandeel hadden in het geweld.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van redelijkheid en billijkheid af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid. Op dit moment is niet met zekerheid te zeggen hoeveel verdachten nog zullen worden vervolgd en veroordeeld. Bekend is in ieder geval dat een aantal verdachten nog wordt uitgenodigd voor een OM-hoorzitting. Bovendien zou een ander oordeel over de hoofdelijke aansprakelijkheid betekenen dat de benadeelde partijen worden beperkt in hun verhaalsmogelijkheden, terwijl zij geen invloed hebben op het aantal verdachten dat (nog) wordt vervolgd of opgespoord. Daar komt bij dat uit het tweede lid van artikel 6:166 BW volgt dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen. Een verdachte die hoofdelijk aansprakelijk is, kan dan ook het bedrag dat hij te veel heeft betaald verhalen op zijn mededaders, waarbij de bijdrage in het geweld (mede)bepalend kan zijn voor het aandeel dat elke deelnemer uiteindelijk te dragen heeft. De rechtbank zal dan ook bepalen dat elke verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor alle toegewezen schadebedragen.
9.5 De vorderingen van agenten
9.5.1 Algemene verweren
Aantasting in de persoon op andere wijze
Alle agenten die ontvankelijk zijn als benadeelde partij vorderen (meestal naast andere bedragen) een “standaardbedrag” van € 500,00 in verband met aantasting in de persoon op andere wijze. Die benadeelde partijen voeren aan dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan een schadevergoeding rechtvaardigen.
De verdediging betwist dit en heeft aangevoerd dat aantasting in de persoon op andere wijze in dit geval geen gegeven is. In ieder geval rechtvaardigt het volgens de verdediging niet dat alle agenten hetzelfde bedrag van € 500,00 toegewezen zouden moeten krijgen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat aan al deze benadeelde partijen (agenten) door de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging rechtstreeks schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW bestaat het recht op vergoeding van immateriële schade onder meer, als de benadeelde partij op andere wijze in zijn of haar persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon - zonder concrete onderbouwing - kan worden aangenomen. Dit laatste kan in het algemeen bij openlijke geweldpleging niet worden gezegd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval een schadevergoeding rechtvaardigen. De aard en de ernst van de normschending volgen onder meer uit de intensiteit en de duur van het gepleegde openlijke geweld en de grootte van de groep supporters die het openlijk geweld heeft gepleegd. De rechtbank betrekt hierbij verder dat de agenten spreken over een explosie van geweld die zij niet eerder in deze mate hebben meegemaakt. Zij werden belaagd met stenen, zwaar vuurwerk en andere voorwerpen. Sommige agenten maken zelfs de vergelijking met een oorlogssituatie.
Omdat elke benadeelde agent de gevolgen die de openlijke geweldpleging voor hem of haar heeft gehad met concrete gegevens moet onderbouwen, kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van één standaardbedrag aan schadevergoeding, zoals gevorderd. De rechtbank zal dan ook elke vordering apart beoordelen.
Barp vergoedingen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de agenten afgewezen moeten worden, dan wel dat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij aanspraak kunnen maken op vergoeding van schade op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie en niet inzichtelijk hebben gemaakt of zij een vergoeding hebben gekregen. Mr. Ceulen heeft op de zitting namens de agenten naar voren gebracht dat geen van de agenten aanspraak heeft gemaakt op de regeling in het Besluit algemene rechtspositie politie. De rechtbank zal dan ook niet om die reden vorderingen afwijzen of agenten niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.
9.5.2 Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 1] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 1] tijdens de rellen de chauffeur was van één van de politiebussen die werd belaagd door een groep supporters. Zijn raam raakte op enig moment uit de sponning doordat supporters met ijzeren drainageroosters op dat raam insloegen. Nadat het raam was losgeraakt, bleef het geweld doorgaan. [benadeelde 1] heeft toen waarschuwingsschoten gelost om de supporters te laten stoppen. Uit de toelichting volgt verder dat [benadeelde 1] tijdens de belaging veel angst heeft ervaren. Hij is in de acht jaren dat hij voor de ME werkt, nog niet zo bang geweest. [benadeelde 1] heeft enige tijd na de rellen last gehad van een harde pieptoon in zijn oren vanwege de waarschuwingsschoten. Tot slot volgt uit de toelichting dat de rellen hem de maanden erna mentaal hebben beziggehouden.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 500,00 billijk. De rechtbank zal de vordering dan ook volledig toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling.
9.5.3 Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 2] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 2] tijdens de rellen in de linie stond. Op enig moment stonden de relschoppers op korte afstand van deze linie en werden er van deze korte afstand stenen gegooid in de richting van [benadeelde 2] en zijn collega’s. Eén steen kwam op zijn helm terecht waardoor hij op de grond viel en enige seconden buiten bewustzijn was. Tot slot volgt uit de toelichting dat [benadeelde 2] weken na de rellen nog last had van woede en emoties en dat hij lusteloos was.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 350,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 2] € 1.350,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk een hersenschudding.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat [benadeelde 2] klachten heeft ervaren die passen bij een hersenschudding die hij als gevolg van het openlijk geweld en de mishandeling heeft opgelopen. Gelet op de door [benadeelde 2] gestelde omstandigheden en gevolgen en bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel, vindt de rechtbank een bedrag van € 750,00 billijk.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 2] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 1.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 2] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 2] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.4 Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze en € 350,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Uit de toelichting van de vordering van [benadeelde 3] volgt dat hij als lid van de AE met name aanwezig was op de locaties Tamboersdijk en Israëlslaan en de schade lijkt daar te zijn ontstaan. Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan het geweld op die locaties. Om die reden zal [benadeelde 3] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 3] kan zijn vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.5 Vordering benadeelde partij [benadeelde 10]
vordert een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Uit de toelichting van de vordering van [benadeelde 10] volgt dat hij als lid van de AE met name aanwezig was op de locaties Tamboersdijk en Israëlslaan en de schade lijkt daar te zijn ontstaan. Verdachte wordt vrijgesproken van het geweld op die locaties. Om die reden zal [benadeelde 10] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 10] kan zijn vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.6 Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]
vordert een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 4] . Uit de toelichting van de vordering volgt dat [benadeelde 4] tijdens de rellen de chauffeur was van één van de ME-bussen die werd belaagd door een groep supporters. Een aantal relschoppers sloeg met ijzeren drainageroosters tegen het raam van zijn bus. [benadeelde 4] vreesde voor zijn leven en besloot om zijn vuurwapen uit zijn holster te halen en te richten op de relschoppers. Dit had geen effect. Toch besloot hij zijn vuurwapen weer op te bergen. Uit de toelichting volgt verder dat [benadeelde 4] sinds de rellen last heeft van boosheid en woede. Daarnaast had hij in de periode na de rellen last van slapeloze nachten en dacht hij veel terug aan de rellen. Zo hoorde hij nog het geluid van de klappen van de drainageroosters die op de bus werden geslagen. Ook had [benadeelde 4] last van vermoeidheid en pijn in zijn gewrichten, rug, nek en schouders. Deze spanningsklachten zijn tot aan de dag van de zitting niet verdwenen.
Spanningsklachten
Bij de toelichting is een brief van de psycholoog van [benadeelde 4] gevoegd. Uit die brief volgt dat er op het moment van de rellen meer speelde in het leven van [benadeelde 4] . De verdediging heeft gesteld dat de spanningsklachten niet alleen veroorzaakt zijn door de rellen, maar door meer elementen die speelden in het leven van [benadeelde 4] . Volgens de verdediging dient de vordering van [benadeelde 4] om die reden te worden afgewezen, dan wel dient [benadeelde 4] niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat een nadere onderbouwing of uitleg zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting en bijgevoegde stukken aan de ene kant kan worden opgemaakt dat de spanningsklachten van [benadeelde 4] mede zijn veroorzaakt door andere gebeurtenissen. Aan de andere kant volgt uit de toelichting dat [benadeelde 4] de spanningsklachten voorafgaand aan de rellen nog niet had. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat op zijn minst een deel van de spanningsklachten is veroorzaakt door de rellen. De rechtbank zal daarom een deel van de gevorderde immateriële schade toewijzen. Voor het overige deel van de vordering zal [benadeelde 4] niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 750,00 billijk. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling.
9.5.7 Vordering benadeelde partij [benadeelde 6]
N. [benadeelde 6] vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 6] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 6] tijdens de rellen te paard was en tijdens meerdere charges met zes politieruiters de groep relschoppers weg van het stadion “veegde”. [benadeelde 6] ervaarde als ruiter tijdens de rellen een aanhoudend gevoel van spanning, vooral omdat het
van groot belang was dat de paarden overeind bleven staan.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 200,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 6] € 50,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk letsel aan haar knie.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de vordering volgt dat [benadeelde 6] als gevolg van het bewezenverklaarde geweld pijn aan haar knie heeft opgelopen. Gelet daarop en op bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel, vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 50,00 billijk.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 6] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 6] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. [benadeelde 6] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.8 Vordering benadeelde partij [benadeelde 7]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 7] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 7] tijdens de rellen te paard was en tijdens meerdere charges met zes politieruiters de groep relschoppers weg van het stadion “veegde”. [benadeelde 7] wordt angstig van de gedachte wat het geweld met haar zou hebben kunnen doen en zij heeft meerdere nachten onrustig geslapen door de rellen.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 200,00 billijk. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 7] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. [benadeelde 7] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.9 Vordering benadeelde partij [benadeelde 8]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 8] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 8] tijdens de rellen bij de ingang van parkeergarage Q-park stond. [benadeelde 8] heeft gevreesd voor zijn leven. De nacht na de rellen heeft [benadeelde 8] niet kunnen slapen en de dagen daarna was hij moe. Het lukte hem nauwelijks om te werken. In de toelichting staat verder beschreven dat [benadeelde 8] bij nieuwe ME-inzetten deze rellen in het achterhoofd heeft.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 200,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 8] € 350,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk een verwonding aan zijn been.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat [benadeelde 8] als gevolg van het bewezenverklaarde geweld, namelijk een door een lid van de groep relschoppers gegooide steen, een verwonding op zijn been heeft opgelopen. Uit de toelichting blijkt dat [benadeelde 8] daar twee weken last van heeft gehad. Zijn been was stijf en door de wond was sprake van een verdikking. Hij kon daardoor lastig lopen, niet sporten en was beperkt in zijn handelen. Daarnaast zorgde de wond een week lang voor een branderig gevoel. Tot slot volgt uit de toelichting dat het litteken van 4 à 5 centimeter ervoor zal zorgen dat [benadeelde 8] blijvend aan de rellen zal worden herinnerd. Gelet op het voorgaande en op bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 350,00 billijk.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 8] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 8] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 8] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.10 Vordering benadeelde partij [benadeelde 9]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 9] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 9] tijdens de rellen in de linie stond. Gedurende de dagen na de rellen heeft [benadeelde 9] zich met regelmaat beziggehouden met de rellen, onder meer vanwege de beelden die hierover in het nieuws werden getoond. Ook heeft hij zich de eerste dag na de rellen ziek gemeld. Tot slot volgt uit de toelichting dat [benadeelde 9] in de week na de rellen druk was met allerlei afspraken die daar betrekking op hadden. Zo moest hij naast zijn reguliere werkzaamheden bij de politie aangifte doen en een bezoek brengen aan de huisarts. [benadeelde 9] heeft hierdoor extra stress gehad, wat vervolgens weer ten koste ging van de sfeer thuis.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 350,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 9] € 250,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk een kneuzing van de nekspieren/schouder.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat [benadeelde 9] als gevolg van het bewezenverklaarde geweld, namelijk een door een lid van de groep relschoppers gegooide steen, een kneuzing van de nekspieren/schouder heeft opgelopen. Uit de toelichting blijkt dat [benadeelde 9] twee dagen enorme pijn had aan zijn nek. Gelet op het voorgaande en op bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 250,00 billijk.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 9] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 9] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 9] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.11 Vordering benadeelde partij [benadeelde 11]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 11] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 11] tijdens de rellen in de linie stond. Nog nooit eerder in zijn carrière van 26 jaar bij de politie heeft [benadeelde 11] geweld van dit niveau meegemaakt. Hij heeft doodsangsten uitgestaan. Met name de situatie bij de slagbomen heeft psychisch veel impact gehad. In de toelichting staat tot slot beschreven dat de rellen nog steeds invloed hebben op het leven van [benadeelde 11] . Zo is hij bij grote incidenten angstig en denkt hij nog regelmatig terug aan de rellen. De weken na de rellen heeft [benadeelde 11] meermaals stilgestaan bij wat er nog meer mis had kunnen gaan. Ook hebben de rellen hem doen twijfelen aan zijn werk bij de ME.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 350,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 11] € 750,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk letsel aan zijn elleboog en schouder.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat [benadeelde 11] als gevolg van het bewezenverklaarde geweld, namelijk een door een lid van de groep relschoppers gegooide steen, letsel aan zijn ellenboog en schouder heeft opgelopen. Uit de toelichting blijkt de elleboog van [benadeelde 11] na de rellen opgezwollen was en een paar dagen gevoelig is gebleven. Daarnaast volgt uit de toelichting dat [benadeelde 11] ten tijde van de rellen herstellende was van een zogenaamde frozen shoulder. Vóór de rellen ondervond hij daar bijna geen klachten meer van en kon hij nagenoeg alles weer doen. Door de zware voorwerpen die hij tijdens de rellen op zijn schouder kreeg, zijn de klachten weer in volle hevigheid teruggekomen. In de toelichting staat daarover dat de mobiliteit van [benadeelde 11] flink is beperkt en dat hij nauwelijks op zijn linkerschouder kan liggen. Dit zorgt ervoor dat hij in de nacht wakker wordt van de pijn en daardoor niet goed tot rust komt, wat invloed heeft op de rest van de dag.
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de frozen shoulder al aanwezig was voorafgaand aan de rellen. [benadeelde 11] de gelegenheid geven om te onderbouwen wat de precieze oorzaak is van klachten aan de schouder na de rellen, zou volgens de verdediging een onevenredige belasting opleveren van het strafproces. Om die reden moet [benadeelde 11] voor dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde 11] door de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging letsel heeft opgelopen aan onder meer zijn schouder. Dat hij al voor de rellen klachten heeft gehad aan zijn schouder, maakt dat niet anders. Uit de toelichting blijkt dat die klachten nagenoeg weg waren op de dag van de rellen. Bovendien ligt het op de weg van de verdediging om uit te leggen, dan wel nader te onderbouwen, dat de klachten van de frozen shoulder ook zouden intreden zonder de rellen. Dat is niet gebeurd. Concluderend vindt de rechtbank dat de schade zoals gesteld door [benadeelde 11] voor rekening dient te komen van de groep relschoppers. De rechtbank begroot deze schade, kijkend naar het letsel, de gevolgen daarvan voor [benadeelde 11] en de bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel, op € 350,00.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 11] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 11] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 11] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.5.12 Vordering benadeelde partij [benadeelde 13]
vordert een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon op andere wijze, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak een schadevergoeding rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de gevolgen van deze normschending voor [benadeelde 13] . Uit de toelichting bij de vordering volgt dat [benadeelde 13] tijdens de rellen in de linie stond. Na afloop hebben de rellen ook nog psychisch veel impact gehad op [benadeelde 13] . Hij was gefrustreerd over de mate van het geweld dat is toegepast. Hij zat minder goed in zijn vel en heeft de eerste nachten na de rellen niet goed geslapen en was moe. Tot slot volgt uit de toelichting dat de rellen ook zijn weerslag hebben gehad op het privéleven van [benadeelde 13] . Hij raakt sneller geïrriteerd en hij kon minder van zijn kinderen hebben. Hij was niet de vader en partner die hij normaal gesproken was. Daarnaast merkte [benadeelde 13] dat hij zich minder prettig voelde in een grote groep mensen. Iets waar hij voor de rellen geen last van had.
Gelet op aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit rechtvaardigt een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Kijkend naar de ernst van de normschending, de gevolgen daarvan en bedragen die in andere zaken worden toegekend, vindt de rechtbank een bedrag van € 350,00 billijk.
Daarnaast vordert [benadeelde 13] € 300,00 aan immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, namelijk letsel aan zijn voet.
Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat op grond van artikel 6:106 onder b BW ook als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank vindt dat voldoende uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat [benadeelde 13] als gevolg van het bewezenverklaarde geweld, namelijk een door een lid van de groep relschoppers gegooide steen, letsel aan zijn voet heeft opgelopen. Uit de toelichting blijkt dat de huisarts heeft vastgesteld dat de voet van [benadeelde 13] was gekneusd. [benadeelde 13] heeft een aantal dagen last gehad van zijn voet. Zijn voet was pijnlijk, stijf en beurs. Gelet op het voorgaande en op bedragen die in andere zaken worden toegekend bij dergelijk letsel vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 300,00 billijk.
De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 13] dan ook toewijzen tot een bedrag van € 650,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. [benadeelde 13] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. [benadeelde 13] kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl