Rb. Midden-Nederland 6 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2995
De subsidies van eisers zijn op grond van de NOW-1 vastgesteld op nihil, omdat eisers bij hun aanvraag geen verklaring over dividenduitkeringen hebben overgelegd van het groepshoofd van hun concern, terwijl artikel 6a, eerste lid en onder c van de NOW-1 dat wel vereist. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze subsidieverplichting haar grondslag in artikel 4:38 van de Awb, omdat de verplichting rechtstreeks verband houdt met het doel van de NOW-1. De rechtbank is bovendien niet gebleken dat de subsidieverplichting en het gevolg als daar niet aan wordt voldaan (nihilstelling) op zichzelf, maar ook (in het kader van de belangenafweging die de minister moet maken) in het specifieke geval van eisers, onevenredig zou zijn in verhouding tot de doelen van de NOW-1. De beroepen zijn ongegrond. De minister wordt vanwege een motiveringsgebrek in de bestreden besluiten wel veroordeeld in de proceskosten van eisers.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Noord-Holland 5 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3079
- Rb. Den Haag 25 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4886
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6686
- ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2768
- ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1177
- ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2348
- CBb 20 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA3716
- CRvB 30 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4315