Rb. Midden-Nederland 2 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7740

Iraans huwelijksvermogensrecht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad , de voorwaarde in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw enkel recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen als zij de echtscheiding niet heeft gewild en zij daaraan geen schuld heeft, wegens strijd met de Nederlandse openbare orde in zijn geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Indien de rechtbank de stelling van de vrouw zou volgen dat slechts de voorwaarde buiten beschouwing moet worden gelaten dat de vrouw niet de echtscheiding aanvraagt en zij daaraan geen schuld heeft (wegens strijd met de openbare orde), zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met de bedoeling van de overeenkomst tussen partijen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken