Rb. Midden-Nederland 6 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6084
Vordering tot ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde. Eiseres (een woningbouwcorporatie) stelt dat gedaagde in strijd met de huurovereenkomst niet haar hoofdverblijf in het gehuurde (een woning) en/of dat zij de woning onderverhuurt, dan wel de woning geheel of gedeeltelijk aan (een) andere(n) in gebruik heeft gegeven. Eiseres wil dat de kantonrechter om die reden de huurovereenkomst ontbindt en wijst daarbij onder andere op een bepaling in haar algemene huurvoorwaarden, waaruit volgt dat de bewijslast door haar gerechtvaardige vermoedens van ingebruikgeving naar gedaagde is verschoven. Gedaagde voert aan dat zij wel haar hoofdverblijf in de woning heeft. De kantonrechter oordeelt dat de door eiseres aangehaalde bepaling uit de algemene voorwaarden een oneerlijk beding is. De bepaling wordt vernietigd. Verder is eiseres afgegaan op verklaringen van buurtbewoners, die gebaseerd zijn op aannames en daardoor haar stellingen onvoldoende onderbouwen. Bij haar eigen onderzoek is eiseres onzorgvuldig geweest, mede omdat zij niet naar ontlastend bewijsmateriaal heeft willen kijken van gedaagde. De vorderingen van eiseres worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl