Rb. Midden-Nederland 9 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:585
Verdachten hebben zich, samen met een mededader, op 11 mei 2022 in Utrecht schuldig gemaakt aan een uiterst laffe woningoverval op het hoogbejaarde slachtoffer. Verdachten hadden de dag er voor het bejaarde slachtoffer geholpen nadat zij op straat was gevallen. Zij wisten daarom dat zij kwetsbaar was en alleen woonde. In de woning is geweld tegen het slachtoffer gebruikt. Haar woning is doorzocht en zij is gedwongen om contant geld af te geven. Op meerdere plaatsen op de trui en de onderarmen van het slachtoffer is het DNA van één en/of beide verdachten aangetroffen en in de woning zijn de vingerafdrukken van een verdachte aangetroffen. Verder zijn er overeenkomsten tussen verschillende door de overvallers gedragen kledingstukken en kledingstukken die beide verdachten droegen op de dag voor de overval en kledingstukken die in de woningen van verdachten in beslag zijn genomen. De woningoverval en het gebruikte geweld hebben een enorme impact op het slachtoffer gehad. Zij heeft tot haar overlijden de gevolgen van de overval ondervonden. De rechtbank rekent de verdachten aan dat zij op geen enkel moment de verantwoordelijkheid voor hun handelen hebben genomen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat van een verdachte dat zijn op het slachtoffer en haar trui aangetroffen DNA, daar is achtergebleven nadat verdachte het slachtoffer de dag voor de overval op straat overeind heeft geholpen nadat zij gevallen was. Een verdachte wordt daarnaast veroordeeld voor de diefstal van twee koplampen van een auto. De voorlopige hechtenis van beide verdachten is in 2022 geschorst en zij hebben sindsdien, deels met elektronisch toezicht, onder begeleiding van de jeugdreclassering gestaan. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de nog jonge leeftijd van verdachten, 15 jaar, ten tijde van de overval en het tijdsverloop in deze zaak. Binnen het jeugdstrafrecht staat het pedagogische karakter en het belang van de jeugdige verdachte boven het belang van vergelding. De rechtbank legt de ene verdachte een jeugddetentie van 8 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt de andere verdachte een jeugddetentie van 9 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit betekent voor beide verdachten dat zij nog enige tijd terug moeten naar de jeugdinrichting. Beide verdachten moeten zich daarnaast houden aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Ook moeten beide verdachten een schadevergoeding betalen aan de nabestaanden van het slachtoffer die namens het slachtoffer een vordering hadden ingediend. Een van de verdachten moet ook de schade vergoeden die het gevolg is van de diefstal van de koplampen.
De uitspraak op rechtspraak.nl