Rb. Midden-Nederland 25 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2529
De voorzieningenrechter komt tot conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de cursussen die verzoeker aanbiedt, moeten worden gezien als kinderopvang in de zin van de Wet op de kinderopvang (Wko). Dat het niet de intentie is van verzoeker om kinderopvang in de zin van de Wko aan de bieden, maakt daarvoor geen verschil. De feiten en omstandigheden van het geval zijn doorslaggevend om iets als kinderopvang in de zin van de Wko te kwalificeren. Het college heeft een last onder dwangsom kunnen opleggen om een einde te maken aan de activiteiten van verzoeker. Het is namelijk verboden om zonder voorafgaande toestemming van het college kinderopvang in de zin van de Wko aan te bieden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, waarmee verzoeker wil bereiken dat hij de activiteiten mag voortzetten, dan ook af.
De uitspraak op rechtspraak.nl