Rb. Midden-Nederland 30 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2215
Eiseres heeft onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van de notulen van de ministerraad van 13 maart 2020 die gaan over de toeslagenaffaire. De minister heeft geweigerd om dat document openbaar te maken. De rechtbank geeft de minister hierin gelijk. Hij heeft terecht gewezen op het belang dat toekomt aan artikel 26 van het Reglement van orde voor de ministerraad en de toelichting op deze bepaling, mede in het licht van de eenheid van het algemeen regeringsbeleid als bedoeld in artikel 45, derde lid, van de Grondwet. Hierbij is van betekenis dat de overheid er groot belang bij heeft dat deelnemers aan de ministerraad onbelemmerd met elkaar kunnen spreken over, in dit geval, de (afhandeling van) de toeslagenaffaire. Daarvoor is noodzakelijk dat wat er in de vergaderingen is besproken vertrouwelijk blijft. De vaste rechtspraak die hierover is ontstaan is, anders dan eiseres stelt, niet achterhaald. Dat andere notulen van de ministerraad wel openbaar zijn gemaakt, is een uitzondering geweest en het gaat ook niet om openbaarmaking op grond van de Wob. Eiseres kan hieraan geen rechten kan ontlenen. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op 10 van het EVRM. Zij zou daaraan als persorgaan een recht op inlichtingen van de overheid kunnen ontlenen. Dit recht om informatie is echter onderworpen aan de beperkingen die ingevolge het tweede lid van artikel 10 van het EVRM gesteld mogen worden. De minister heeft gewezen op het in dat artikel genoemde belang om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in redelijkheid mogen doen. In dit geval mocht hij concluderen dat het belang van het verstrekken van informatie aan een persorgaan niet opweegt tegen het voorkomen van verspreiding van vertrouwelijke informatie uit de ministerraad. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl