Rb. Midden-Nederland 13 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:60

Voorlopige voorziening over aanvragen van een horecazaak om een vergunning ‘alcoholvrij bedrijf’ en een terrasvergunning, die zijn afgewezen op grond van de Wet Bibob. Er zou een ernstig gevaar zijn dat de vergunningen mede gebruikt zouden worden voor het plegen van strafbare feiten. De enig aandeelhouder en daarnaast personen met wie de horecazaak in een zakelijk samenwerkingsverband staat, zouden strafbare feiten hebben gepleegd of hiervan verdacht worden. Verweerder is in zijn conclusie dat er ‘ernstig gevaar’ bestaat afgeweken van het LBB-advies, die een ‘mindere mate van gevaar’ aannam. De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat verweerder ‘ernstig gevaar’ heeft mogen aannemen en voldoende heeft gemotiveerd waarom hij hiermee is afgeweken van de conclusies van het LBB. Verweerder heeft de feiten gepleegd door de enig aandeelhouder anders mogen wegen, en de feiten die gepleegd zijn door de personen met wie de horecazaak in een zakelijk samenwerkingsverband staat mee mogen nemen in de beoordeling. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de bestuurder van de horecazaak door verweerder onvoldoende in de belangenafweging is betrokken. Dat moet verweerder dus nog doen in de beslissing in bezwaar. De belangenafweging in het kader van de voorlopige voorziening valt in het nadeel van verzoekster uit. De voorziening wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken