Rb. Midden-Nederland 26 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5789
Toen eiseres (tijdelijk) naar het buitenland ging, heeft zij haar hond bij haar moeder gebracht. Omdat moeder op enig moment niet meer voor de hond kon zorgen, is de hond opgevangen bij gedaagden. Eiseres vraagt om teruggave van haar hond, maar gedaagden willen hieraan niet meewerken. Zij menen dat dit niet in het belang van de hond is en verzoeken daarnaast, met een beroep op het retentierecht, dat eerst de kosten voor de hond worden betaald. Voor het eerst in de procedure stellen gedaagden ook dat zij eigenaar zijn geworden van de hond, doordat eiseres de eigendom van haar hond heeft prijsgegeven. In de procedure is aannemelijk geworden dat eiseres eigenaar van de hond is (gebleven). De hond moet daarom worden teruggegeven. Aan deze teruggave wordt de voorwaarde verbonden dat eiseres de vergoeding voor het verblijf van de hond en de dierenartskosten betaalt. Er wordt een redelijke verblijfsvergoeding per dag vastgesteld. Deze verblijfsvergoeding moet worden betaald totdat eiseres de vergoeding en kosten betaalt aan gedaagden. Het retentierecht eindigt namelijk niet na het enkele aanbod tot betaling van een vergoeding door eiseres (zonder daadwerkelijke betaling). Na de betaling van de vergoeding en dierenartskosten, moet de hond binnen twee dagen door gedaagden aan eiseres terug worden gegeven.
De uitspraak op rechtspraak.nl