Rb. Midden-Nederland 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890

De rechtbank ziet met het oog op de rechtspraktijk aanleiding om in algemene zin uiteen te zetten hoe zij beroepsgronden over ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ in WOZ-zaken beoordeelt. Het bestuursprocesrecht kent waarborgen om ervoor te zorgen dat bestuursorganen, belanghebbenden en de rechtbank in bezwaar- en beroepsprocedures over dezelfde informatie beschikken. De rechtbank constateert dat in WOZ-zaken in toenemende mate een beroep wordt gedaan op de vermeende schending van de artikelen 7:4 en 8:42 van de Awb en het daaraan verwante artikel 40 van de Wet WOZ. De onderwerpen die in deze uitspraak aan de orde komen zijn onder meer de vraag wanneer een gestelde schending inhoudelijk beoordeeld moet worden en wat de betekenis van de goede procesorde daarbij is. Als centraal beoordelingskader hanteert de rechtbank vervolgens 1) of een informatieachterstand is ontstaan bij de belanghebbende en 2) of die achterstand tijdens de procedure is hersteld en in welke fase van het geschil dat is gebeurd. In het licht daarvan benoemt de rechtbank in welke gevallen een schending van de procedurele vereisten kan worden gepasseerd en wanneer een proceskostenveroordeling aan de orde is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken