Rb. Midden-Nederland 4 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2364

De vraag staat centraal of het gebruik dat gedaagde van zijn appartementsrecht wenst te maken, het exploiteren van een coffeeshop, in strijd is met de daaraan in de splitsingsakte gegeven bestemming. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voorgenomen gebruik van de bedrijfsunit van gedaagde niet in overeenstemming is met de in de splitsingsakte genoemde bestemming ‘bedrijfsruimte’. De voorzieningenrechter neemt hierbij in overweging dat in de notariële akte van vestiging erfpacht is opgenomen dat het perceel mag niet worden gebruikt voor de uitoefening van enigerlei vorm van detailhandel of van een horecabedrijf. In de notariële akte van splitsing is bepaald dat al hetgeen in de akte van vestiging erfpacht is opgenomen van toepassing is op het door de akte van splitsing in appartementsrechten gesplitste registergoed. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bestemming ‘bedrijfsruimte’ in de splitsingsakte mede wordt ingekleurd door hetgeen in notariële akte van vestiging erfpacht is bepaald. Beide akten dienen dus in onderlinge samenhang te worden gelezen, waardoor de erfpachtsvoorwaarden doorwerken in de akte van splitsing. Dat de gemeente, als erfverpachter, aan gedaagde toestemming heeft gegeven het erfpachtrecht in strijd met de erfpachtvoorwaarden te gebruiken, maakt dit niet anders. Uit de toestemmingsbrief van de gemeente blijkt namelijk nadrukkelijk niet dat de gemeente Utrecht de toelaatbaarheid van de exploitatie niet laat afhangen van de bestemming zoals die is opgenomen in de notariële akte van splitsing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken