Rb. Midden-Nederland 29 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2014

Gebundelde uitkering 2015 en 2016, verdeelmodel Artikel 69 Wet werk en bijstand, artikel 69, 71 en 74 Participatiewet, artikel 6 Besluit participatiewet Samenvatting: Verweerder heeft aan eiser een voorlopig en een definitief budget voor de gebundelde uitkering over 2015 toegekend en een voorlopig budget voor de gebundelde uitkering over 2016. Voor de vaststelling hiervan heeft verweerder gebruik gemaakt van een nieuw verdeelmodel, ontwikkeld door het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), dat is neergelegd in het Besluit Participatiewet (Besluit PW) van 26 september 2014. De rechtbank stelt vast dat het SCP-model voor 2015 onderwerp van geschil was in uitspraken van de CRvB van 1 juli 2019. De CRvB oordeelde dat de in het model neergelegde verdeelmaatstaven als zodanig de exceptieve toets kunnen doorstaan en dat er geen aanleiding bestaat om aan het model verbindende kracht te ontzeggen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het nieuwe model in 2015 onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten en dat verweerder het Besluit PW niet buiten toepassing heeft hoeven laten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het verdeelmodel noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeeft en dus per definitie daar niet mee overeenkomt. De validiteit van een model wordt, volgens vaste rechtsspraak van de ABRvS, pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid. Dat er andere aantallen zijn gehanteerd dan eiser voorstaat maakt op zichzelf niet dat de toepassing van het model onevenredig is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de gemeente Dronten geen centrumfunctie heeft, anders dan de gemeenten in de uitspraken van de CRvB en dat eiser verder geen andere verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de toegekende budgetten en de werkelijke kosten. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de verschillen ook verklaard kunnen worden door het beleid dat gevoerd wordt. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat in zijn beleid niets is gewijzigd. Verder oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van schending van het inzagerecht. Voldoende is dat in of met het besluit duidelijk is gemaakt hoe het verklaringsmodel en verdeelmodel tot stand zijn gekomen en welke keuzes bij de invoer zijn gemaakt ten aanzien van de invoergegevens. Dat heeft verweerder gedaan. Daarnaast heeft verweerder de gelegenheid geboden tot inzage en uitleg bij de modellen bij het CBS, zodat hij het eiser mogelijk heeft gemaakt de gemaakte keuzes en de gebruikte gegevens en aannames te beoordelen. Dat verweerder in de besluitvormingsfase niet expliciet heeft medegedeeld dat er sprake is van geheimhouding van bepaalde gegevens in het kader van privacy, maar pas op een later moment hiernaar heeft verwezen, betekent evenmin dat artikel 7:4 van de Awb is geschonden en/of dat verweerder zich daarop niet meer zou mogen beroepen. Het beroep tegen de vaststelling van het voorlopige budget voor 2016 is niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang. Het is vaste rechtspraak dat het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak wenst geen rechtens te respecteren procesbelang oplevert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken