Rb. Midden-Nederland 10 april 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1576

Geen recht op meer HHT Trefwoorden: Huishoudelijke hulptoelage, decentralisatie-uitkering, bevoegdheid, rechtsbescherming, amvb, dwangsom beroep niet-tijdig Samenvatting De Afdeling heeft in een eerdere procedure geoordeeld dat het wenselijk is dat tegen de materiële besluitvorming in de vorm van een weigering van de HHT direct rechtsbescherming voor eiser zou openstaan en dat niet - zoals door de staatssecretaris van VWS in die procedure is betoogd - gewacht zou moeten worden op de formele vaststelling van de HHT in een latere amvb. De staatssecretaris van VWS die niet bevoegd was om, over een decentralisatie-uitkering te beslissen, moest het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen het onbevoegd genomen primaire besluit doorsturen aan verweerders. Dat heeft hij ook gedaan. Verweerders hebben het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit vervolgens ongegrond verklaard. De rechtbank is het daarmee eens. Er kan niet voorbij worden gegaan aan de bijzondere rol die de staatssecretaris van VWS heeft bij de beoordeling van de aanvraag om een HHT. Anders dan eiser betoogt waren de uitgangspunten om een HHT te ontvangen vanaf juli 2014 helder. Eiser mocht er niet van uitgaan dat hij voor zijn plan dat niet aan de uitgangspunten voldeed ook aanspraak kon maken op de HHT. De rechtbank vindt de weigering om extra HHT aan eiser uit te keren niet onredelijk. Eiser heeft verder ook bezwaar gemaakt tegen de amvb, waarin het bedrag dat hij zou ontvangen aan HHT, formeel is vastgesteld. Dit bezwaar is echter niet-ontvankelijk, omdat deze vaststelling geen extern rechtsgevolg heeft. Tot slot heeft eiser geen recht op dwangsommen voor het niet-tijdig beslissen. Uit de correspondentie na de ingebrekestelling hebben verweerders niet kunnen opmaken dat eiser er bij verweerders op aandrong om binnen twee weken te beslissen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken