Rb. Midden-Nederland 27 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1083
In dit kort geding vordert Papendorp, een amateurvoetbalclub, dat de KNVB voorlopig stopt met de uitvoering van haar besluit om alle wedstrijden van Papendorp op te schorten en het lidmaatschap van Papendorp op te zeggen. De voorzieningenrechter gaat eerst uitgebreid in op het toetsingskader van deze zaak. De conclusie daarvan is dat een lid van een vereniging dat met een besluit van de KNVB wordt geconfronteerd, zich in beginsel kan beroepen op zowel de artikelen 2:14 en 2:15 BW als artikel 7:904 BW. Papendorp heeft een beroep gedaan op 2:14/15 BW, zodat de besluiten van de KNVB aan die bepalingen getoetst moeten worden. Daarbij geldt wel het uitgangspunt dat de rechter niet op de stoel moet gaan zitten van het orgaan van de rechtspersoon dat het betreffende besluit heeft genomen. De inhoud van een besluit van de KNVB wordt dan ook, voor zover qua inhoud of totstandkoming niet in strijd met de wet of de statuten, slechts marginaal getoetst. Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van Papendorp kan volgens de voorzieningenrechter die toets doorstaan. Wettelijk gezien bestaan er twee mogelijkheden voor een vereniging om het lidmaatschap van een lid te beëindigen: opzegging (artikel 2:35 lid 2 BW) en ontzetting (artikel 2:35 leden 3 en 4 BW). Er bestaat weliswaar een verschil in rechtsbescherming tussen deze beëindigingswijzen, maar dat is ook de bedoeling van de wetgever geweest. Dit betekent dat – indien gedragingen van een lid grond kunnen zijn voor zowel opzegging als ontzegging – het aan het bestuur van de vereniging vrijstaat om de ene of de andere route te kiezen. Van willekeur bij de uitoefening van deze bevoegdheid is niet gebleken, en het opzeggingsbesluit is op zorgvuldige wijze totstandgekomen. Een lid van een vereniging wordt ook niet ‘dubbel gestraft’, als een bepaalde gedraging zowel tuchtrechtelijk wordt bestraft, als aanleiding is om tot opzegging van het lidmaatschap over te gaan. Het opzeggen van een lidmaatschap is, hoezeer dat ook anders kan worden ervaren, geen straf. Het is een maatregel die zich niet richt op het verleden, maar op de toekomst: hebben vereniging en lid vertrouwen in een toekomst met elkaar? De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter het opzeggingsbesluit van de KNVB zal vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Gelet op de ernst van het incident van 27 oktober 2019 en het feit dat in de jaren daarvoor soortgelijke incidenten hadden plaatsgevonden, heeft de KNVB in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat zij geen vertrouwen meer had in het waarborgen van de veiligheid door Papendorp op en rondom het veld, en dat voortzetting van het lidmaatschap onaanvaardbaar was. In het licht van dit oordeel over het opzeggingsbesluit heeft Papendorp geen belang meer bij een oordeel over het opschortingsbesluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl