Rb. Midden-Nederland 14 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5114
Conservatoir beslag opgeheven wegens schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv). Beslaglegger heeft de voorzieningenrechter in het beslagverzoek onjuist voorgelicht over het beoogde gebruik van het beslagobject (hetgeen zou bestaan uit het tonen van een prototype van een elektrische bus op een tweejaarlijkse beurs in Brussel). Daarmee heeft hij voorkomen dat de voorzieningenrechter dit aspect bij zijn beoordeling van de proprtionaliteit van het gevraagde beslag zou betrekken. Dit is een schending van artikel 21 Rv en dat heeft, gelet op de aard en ernst daarvan, tot gevolg dat de vordering om opheffing van de op deze bus gelegde beslagen reeds om die reden toewijsbaar is. Voor het verbinden van een voorwaarde aan opheffing, inhoudende dat beslagene vóór de opheffing aan de deurwaarder de gelegenheid biedt om uitgebreid foto’s te maken van de onderdelen van de bus, zoals verzocht door beslaglegger, is geen plaats. Beslagene heeft dit aanbod gedaan onder druk van de situatie waarin beslaglegger haar had gebracht, en was dus vrijblijvend. Afgezien daarvan geldt dat honorering van deze voorwaarde ertoe zou leiden dat schending van artikel 21 Rv een “spel zonder nieten” zou worden: als de schending al ontdekt wordt en gevolgen heeft, zou namelijk altijd nog geprobeerd kunnen worden er wat gunstigs uit te slepen. Daar gaat de voorzieningenrechter niet in mee. Schending van artikel 21 Rv in een beslagprocedure is ernstig, en moet serieuze consequenties hebben, zodat partijen die om beslag verzoeken, een prikkel hebben om de waarheidsplicht na te leven. Proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019ie Rv wordt afgewezen wegens het ontbreken van een tijdig ingediende proceskostenspecificatie. Gelet hierop kan in het midden blijven of voldaan is aan het vereiste van de aanwezigheid van "buitengewone omstandigheden" die de rechter kan noodzaken van deze discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl