Rb. Midden-Nederland 12 augustus 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5062
Verplicht werkrooster, overwerk, feitelijke arbeidsduur, Artikel II.4.3, van de UVRU; artikel III.1.1, aanhef en onder b, van de UVRU; artikel III.1.2, vierde lid, van de UVRU, artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder h, van de CAR Het geschil richt zich tot wat voor eiser als “het verplichte werkrooster” heeft te gelden. De rechtbank is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn bij de roostering hanteert. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het document met de titel “Werkwijze 24 uursroosters VRU”. Verweerder past het werkrooster van een ambtenaar niet voorafgaand of na de verplicht te verrichten werkzaamheden aan als het werkrooster niet “tijdig” kan of had kunnen worden aangepast. Het gaat dus om werkzaamheden waarmee een ambtenaar wordt geconfronteerd binnen het tijdsbestek van 72 uur direct vóór aanvang van die werkzaamheden. Ook deze werkzaamheden moet een ambtenaar op het zogenaamde declaratieformulier bijhouden. Deze verplicht te verrichten werkzaamheden vallen dus buiten het werkrooster van een ambtenaar. De buiten het werkrooster vallende, verplicht te verrichten werkzaamheden merkt verweerder, anders dan door eiser gesteld, aan als overwerk, mits daarvoor een dienstopdracht is gegeven of wordt geacht te zijn gegeven. Verweerder heeft terecht gesteld dat in de periode in geding het voor eiser verplichte werkrooster het voor hem geïndividualiseerde werkrooster is, dat verweerder op verschillende momenten heeft aangepast en daarmee steeds opnieuw heeft vastgesteld. Anders dan eiser heeft betoogd, verbiedt artikel III.1.1, aanhef en onder b, van de UVRU niet dat (een deel van) een door het bevoegd gezag vastgestelde werkrooster al dan niet achteraf wordt aangepast en dus opnieuw wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de eerste twee cumulatieve voorwaarden om in aanmerking te komen voor een overwerkvergoeding. Eisers stelling dat hij alle gedeclareerde werkzaamheden buiten het voor hem geldend verplichte werkrooster en dus buiten de feitelijke arbeidsduur per week heeft verricht, is immers gebaseerd op de onjuiste stelling dat het voor hem verplichte werkrooster het rond oktober vastgestelde basis dienstrooster is. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle door hem gedeclareerde werkzaamheden, uitgezonderd de op 2 februari 2012 verrichte werkzaamheden, buiten het voor hem geldend geïndividualiseerde werkrooster heeft verricht, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat hij de feitelijke arbeidsduur per week heeft overschreden. Verweerders afwijzing van de gevraagde overwerkvergoeding houdt dus stand.
De uitspraak op rechtspraak.nl