Rb. Midden-Nederland 30 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:411

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft het peilbesluit ‘Partiële herziening Kolland - peilbesluit Langbroekerwetering (2008)’ vastgesteld. Voorheen gold het peilbesluit ‘Langbroekerwetering 2008’, op grond waarvan een bovenwaterpeil van 3,83 m + NAP werd gehanteerd. In het herziende peilbesluit is voor het perceel van eisers een zomerpeil van 4,70 m + NAP en een winterpeil van 4.50 m + NAP vastgesteld. Het hoogheemraadschap heeft zich bij vaststelling van de nieuwe waterpeilen gebaseerd op de droogleggingsnorm van 70 tot 100 cm uit de ‘Beleidsnota peilbeheer 2011’ voor kleigrond. Eisers stellen zich op het standpunt dat het hoogheemraadschap bij vaststelling van de nieuwe waterpeilen had moeten afwijken van de droogleggingsnorm uit de beleidsnota. Vraag die aan de rechtbank voorligt is of het hoogheemraadschap in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat handelen overeenkomstig de beleidsnota gevolgen heeft voor eisers die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsnota te dienen doelen. De StAB heeft op verzoek van de rechtbank een deskundigenrapport uitgebracht. De rechtbank volgt de redeneringen en conclusies van de StAB en oordeelt dat verweerder zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de feitelijk hogere waterpeilen en de daardoor verslechterde ontwateringssituatie op het perceel van eisers. Het beroep van eisers is gegrond. Het herziende peilbesluit wordt vernietigd. Dit betekent dat het oude peilbesluit en daarmee dus het oude bovenwaterpeil van 3,83 m + NAP, weer onverkort geldt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen