Rb. Midden-Nederland 3 juli 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2974

OAD is bij de rechtbank Midden-Nederland een procedure gestart tegen Rabobank, omdat zij vindt dat Rabobank op 6 september 2013 niet de kredietrelatie met de OAD-vennootschappen mocht opzeggen. Zij stelt dat daardoor de OAD-vennootschappen genoodzaakt waren om op 24 september 2013 hun faillissement aan te vragen. De rechtbank heeft woensdag een tussenvonnis gewezen. Zij is van oordeel dat de gang van zaken na de formele opzegging van de kredietrelatie op 6 september 2013 van belang is voor de beoordeling van de opzegging zelf. Dit mede omdat Rabobank in die periode zelf te kennen gaf bereid te zijn om onder bepaalde voorwaarden tot intrekking van die opzegging over te gaan. Rabobank betwist een deel van de door OAD geschetste gang van zaken na de opzegging, zoals: - dat de toezegging die een medewerker van Rabobank in een telefoongesprek op 20 september 2013 deed aan de toenmalige Commissaris van de Koning “om OAD voldoende tijd te gunnen om de verkoop van het busbedrijf van OAD aan een groep Twentse investeerders rond te krijgen” ook zag op de tijd die nodig zou zijn om die transactie feitelijk uit te voeren, - dat op dezelfde dag OAD heeft gebeld met een medewerker van de Rabobank, en dat de medewerker heeft toegezegd om mee te werken aan de voltooiing van de verkoop van het busbedrijf van OAD aan de Twentse investeerders, - dat OAD in een telefoongesprek op 24 september 2013 Rabobank heeft gevraagd om uitstel van de termijn voor het voltooien van die transactie met één of twee weken, en dat Rabobank dat heeft geweigerd. Door diverse betrokkenen zijn hierover verklaringen overgelegd, maar deze zijn niet onder ede afgelegd en staan - waar het betreft de door Rabobank betwiste feiten - zo diametraal tegenover elkaar, dat er nader bewijs geleverd moet worden. De bewijslast rust op de partij die de rechtsgevolgen van die feiten ingeroepen heeft (dat de opzegging niet rechtmatig is geweest), dus op OAD. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen hoe OAD invulling geeft aan haar bewijsopdracht, maar zij kan zich voorstellen dat zij een aantal betrokkenen als getuige wil oproepen. Daarom stelt zij OAD in de gelegenheid om zich uit te laten over de wijze waarop zij het benodigde bewijs wil leveren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen