Rb. Midden-Nederland 23 april 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1708

Vrijspraak voor beide feiten. Verdachte werd verdacht van brandstichting van een Renault Kadjar op 3 oktober 2018. Een getuige heeft gezien dat een man de auto in brand heeft gestoken en dat deze man vervolgens een woning is binnen gegaan. De getuige heeft een signalement van de man gegeven. Dit signalement komt niet overeen met de verdachte. Hoewel er verschillende aanwijzingen zijn dat de verdachte betrokken is geweest bij de autobrand, is de rechtbank van oordeel dat uit deze aanwijzingen in de gegeven omstandigheden niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die de brand heeft gesticht. Ook voor het andere feit, vernieling van het elektriciteitswerk, kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank heeft kunnen vaststellen dat aan de stoppen van de elektriciteitsmeter zelfgemaakte draden waren bevestigd, die waren bedoeld als verlengsnoer en de kamer inliepen. Hierdoor is een gevaarlijke situatie ontstaan. Daarentegen heeft de storingsmonteur vastgesteld dat de stroomafname op een legale wijze via de elektriciteitsmeter is gelopen en dat bij het bevestigen van de zelfgemaakte draden het elektriciteitswerk niet is beschadigd, vernield of onbruikbaar is gemaakt. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte een stoornis in de gang of werking van het elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, of bepaalde veiligheidsmaatregelen ten opzichte van dat elektriciteitswerk buiten werking heeft gesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen