Rb. Midden-Nederland 20 maart 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1151

Verdachte heeft zich gedurende een aanzienlijke periode en op grote schaal schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Hij heeft in zijn hoedanigheid als politieagent een aanzienlijk aantal bevragingen gedaan in de computersystemen van de politie, zonder dat daartoe vanuit de uitoefening van de politietaak enige aanleiding bestond. Daarnaast heeft verdachte zijn ambtsgeheim geschonden door vertrouwelijke informatie te delen. De rechtbank heeft voor de bepaling van de strafmaat onder andere acht geslagen op de omstandigheid dat het strafmaximum voor computervredebreuk op 1 juli 2015, derhalve gedurende de bewezen verklaarde periode, is verhoogd van één naar twee jaar. De rechtbank gaat in het voordeel van de verdachte en gelet op artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, bij de oplegging van straf uit van het oude strafmaximum. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 40 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 22c, 22d, 57, 138ab en 272 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen