Rb. Midden-Nederland 3 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4408

vervangende inconveniententoeslag (VIT) , ziekte, ongelijkheidsbeginsel artikelen 14, 29a en 29 b Bbp Deze procedure gaat over het berekenen en vaststellen van de hoogte van de vervangende inconveniententoeslag (VIT), een operationele toelage in geval van ziekte. De VIT wordt berekend over drie periodes van vier weken voorafgaand aan de datum van ziekmelding. Eiser heeft zich op 24 augustus 2014 ziek gemeld, waardoor zijn genoten vakantie van vier weken daaraan voorafgaand van invloed is op de hoogte van de VIT. De rechtbank oordeelt dat het strikt vasthouden aan de berekening van de VIT zoals neergelegd in artikel 14, vierde lid, van het Bbp een ongerechtvaardigd onderscheid oplevert en derhalve strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ziekte is een calamiteit, die niet planbaar is. Als strikt wordt vastgehouden aan de referentieperiode van drie periodes van vier weken voorafgaand aan de eerste ziektedag krijgt de ene politieambtenaar die op een gunstiger tijdstip ziek wordt een hogere VIT toegekend dan de andere politieambtenaar die op een minder gunstig tijdstip ziekt wordt. Het strikt vasthouden aan artikel 14, vierde lid, van het Bbp in een situatie die voor de ambtenaar volledig willekeurig is – zoals uitval vanwege ziekte – levert naar het oordeel van de rechtbank een zodanige ongelijkheid op dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De stelling van verweerder dat het ondoenlijk is om handmatig van iedere ambtenaar de VIT te berekenen en dat het systeem het niet toelaat, is geen rechtvaardiging om de ongelijkheid te handhaven, nu niet is gebleken dat het systeem daarop niet kan worden aangepast. Het beroep op de geven-en-nemen-jurisprudentie gaat evenmin op. Het beroep is gegrond en de Rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken