Rb. Midden-Nederland 26 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2069
terugkomen op tussenuitspraak; samenstellingsverklaring 24, lid 5, Wet op de notarisambt; 2, lid 5, van de Regeling op de notarisambt. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de redelijkheid van verweerders beleid en is er daarbij van uitgegaan dat Bureau Financieel Toezicht (BFT) bevoegd is tot het verlangen van de samenstellingsverklaring bij indiening van de kwartaalcijfers. Op 17 september 2017 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat voor het verlangen van een samenstellingsverklaring bij het overleggen van de kwartaalcijfers geen wettelijke grondslag bestaat zodat artikel 2, vijfde lid, van de Rna buiten toepassing moet worden gelaten. Dit betekent dat het BFT niet bevoegd is om de samenstellingsverklaring verplicht te stellen. Het BFT heeft slechts de bevoegdheid om regels te stellen met betrekking tot de inhoud en wijze van indiening van overige gegevens, waarvan hij al bevoegd is om die op te vragen. De Wna bevat geen bepaling waaruit blijkt dat aan het BFT ook de bevoegdheid is toegekend om bij de notaris een samenstellingsverklaring op te vragen. Omdat BFT het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft ingetrokken en het in onderhavige zaak om gelijke gevallen gaat, ziet de Rechtbank aanleiding om terug te komen op het eerder gegeven oordeel in de tussenuitspraak en te bepalen dat artikel 2, vijfde lid, laatste zinssnede, van de Rna (“Deze gegevens dienen te worden voorzien van een samenstellingsverklaring van een accountant.”) ook in deze zaken buiten toepassing dient te worden gelaten. Dit betekent dat BFT geen samenstellingsverklaring mocht verlangen van eiseres en dat eiseres daarom ook niet om ontheffing daarvan had hoeven te verzoeken.
De uitspraak op rechtspraak.nl