Rb. Midden-Nederland 31 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:637

Ook huursituatie kan uitzonderingsgrond zijn voor partnerbegrip ex art. 3 Awir. Samenvatting: Op grond van de Awir heeft de aanvrager van kindgerelateerde toeslagen automatisch een toeslagpartner als de aanvrager met een persoon en een minderjarig kind op hetzelfde adres staat ingeschreven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zelfstandige bewoning van eiseres en haar kind enerzijds en de bewoner anderzijds. Dat betekent volgens verweerder dat eiseres en de bewoner (fiscale) partners zijn en dat het inkomen van de bewoner meetelt bij het bepalen van het recht op de kindgerelateerde toeslagen, tenzij er een uitzondering van toepassing is. Bij de interpretatie van de relevante wetsartikelen, met name artikel 3 van de Awir, moet de wetgeschiedenis in ogenschouw worden genomen. In de wetsgeschiedenis spreekt de wetgever niet alleen over een onderhuursituatie, zoals in de letterlijke wettekst is opgenomen, maar over een “(onder)huursituatie”; in de bedoeling van de wetgever ligt dus besloten dat ook een “huursituatie” daaronder kan vallen. Omdat in dit geval zowel verweerder, als eiseres, als de rechtbank er van overtuigd is dat de woonsituatie tussen eiseres en de bewoner van puur zakelijke aard was en beiden dus feitelijk een gescheiden huishouding voerden, moeten zij in lijn met de bedoeling van de wetgever niet worden aangemerkt als (fiscale) partners. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir, moet dus zo worden gelezen dat ook in geval van een huursituatie sprake kan zijn van de in dat artikelonderdeel bedoelde uitzondering. Die uitzondering doet zich hier voor.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen