Rb. Midden-Nederland 20 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:404

Eiser heeft bij verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de korpschef door het opleggen van een boete voor de mogelijk onrechtmatige verstrekking van politiegegevens. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de geconstateerde overtreding geen boete heeft opgelegd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen en heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval geen boete heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder, als toezichthouder, ruimte toekomt om een belangenafweging te maken. Het is aan verweerder om van geval tot geval te bezien of handhaving wel proportioneel en subsidiair is en ook voor het overige niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien komt verweerder vrijheid toe in de keuze voor het handhavingsinstrument, mits het gekozen instrument voldoende effectief is. Dit blijkt ook uit artikel 35, derde lid, van de Wpg waarin de bevoegdheid voor verweerder om tot het opleggen van een boete over te gaan, is neergelegd. Van een gebonden boeteregelgeving is dan ook, anders dan waar eiser van lijkt uit te gaan, geen sprake. In zijn reactie heeft verweerder toegelicht waarom hij de overtreding van de protocolplicht van de korpschef niet heeft beboet, maar heeft gekozen voor een normoverdragend gesprek. Het is primair de taak van de toezichthouder om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot handhaving en de daarbij gemaakte keuzes voldoende toe te lichten. Nu verweerder dat heeft gedaan, concludeert de rechtbank dat hij het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende heeft geheeld. Het beroep van eiser slaagt dan ook niet. Beroep gegrond met in stand laten rechtsgevolgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken