Rb. Midden-Nederland 31 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2597
Eiser is bestuurder en eigenaar geweest van de (inmiddels failliete) Belgische vennootschap [bedrijfsnaam 1]. Deze onderneming had onder meer tot doel om het landgoed [naam] te [woonplaats] (België) te exploiteren. Op 20 mei 2013 heeft eiser met (de vennootschap naar het recht van Nevada (VS):) [gedaagde sub 1] (hierna: [gedaagde sub 1) een koopovereenkomst gesloten waarbij [eiser] de roerende zaken die zich bevonden op het landgoed, verkocht aan [gedaagde sub 1]. In een side letter van dezelfde datum is aan eiser het recht toegekend om de roerende zaken de dag erna terug te kopen voor 1 euro. In deze procedure vordert eiser afgifte van de goederen aan hem en betaling van een schadevergoeding wegens ontbinding van de overeenkomsten op basis van het niet volledig betalen van de koopsom door [gedaagde sub 1]. De rechtbank wijst de vordering tot afgifte toe op basis van Belgisch recht. Op grond van artikel 2230 Belgisch Burgerlijk Wetboek geldt het vermoeden dat een bezitter (eiser) steeds geacht wordt voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten. [gedaagde sub 1] heeft geen zaken aangewezen die volgens haar in bedrijfsmatig gebruik waren bij de [bedrijfsnaam 1], zodat de rechtbank geen aanleiding ziet haar toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen dit vermoeden. Eiser was dus privé eigenaar van de verkochte roerende zaken. De vordering tot schadevergoeding wordt beoordeeld naar Nederlands recht en toegewezen op grond van artikel 6:277 BW. De bestuurder en feitelijk leidinggevende van [gedaagde sub 1] zijn op grond van artikel 4 lid 2 Wet op de Formeel Buitenlandse Vennootschappen aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde sub 1] uit hoofde van de (ontbinding van) de koopovereenkomst en de side letter. De stelplicht en bewijslast van het al dan niet zijn van een ‘formeel buitenlandse vennootschap’ rust naar het oordeel van de rechtbank op de vennootschap, en (in afgeleide zin) op de bestuurder en feitelijk leidinggevende. Aan deze stelplicht is in onderhavig geval niet voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl