Rb. Midden-Nederland 5 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:1748

Werknemer is op 21 november 2011, na ook in 2011 eerder werk gerelateerd arbeidsongeschikt te zijn geweest, opnieuw uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. UWV heeft aan werkgever RoCvA een loonsanctie opgelegd tot 25 december 2014. Werkgever heeft het dienstverband tegen 21 mei 2015 opgezegd. Werknemer heeft beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep bve. De Commissie heeft het beroep tegen het ontslag gegrond verklaard omdat geen eigen onderzoek is gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden. Werknemer vordert op grond van kennelijk onredelijk ontslag herstel van de dienstbetrekking en subsidiair schadevergoeding op grond van het gevolgencriterium. Werknemer meent dat de beslissing van de Commissie van Beroep voor ROCvA bindend is met een beroep op artikel 12.2 lid 5 van de CAO-MBO, terwijl ROCvA zich op het standpunt stelt dat op grond van het [achternaam] arrest van de Hoge Raad (NJ 1996/693) en de daarop verder ontwikkelde (lagere) jurisprudentie de uitspraak van de Commissie van Beroep niet bindend is. De Hoge Raad heeft in het eerder genoemde [achternaam]-arrest geoordeeld dat een oordeel van de Commissie van Beroep niet als bindend advies kan worden aangemerkt en de werknemer niet gebonden is aan een oordeel van de Commissie van Beroep, tenzij partijen dit ondubbelzinnig zijn overeengekomen. De Hoge Raad ziet het instellen van een Commissie van Beroep als bekostigingsvoorwaarde. In latere (lagere) rechtspraak is geoordeeld dat ook de werkgever niet gebonden is aan een oordeel van de Commissie van Beroep (zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 19 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4254. De kantonrechter oordeelt dat de uitspraak van de Commissie van Beroep bindend is gelet op artikel 12.2 CAO-MBO en volgt niet het uitgangspunt dat de uitspraak voor de werkgever niet bindend zou zijn. De arresten van de Hoge Raad waarop de ROCvA heeft gewezen verzetten zich geenszins tegen een zodanige uitleg van meer bedoelde CAO-bepaling. Zij zien beide op de positie van de werknemer, daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. In beginsel geldt dat ROCvA niet gehouden kan worden aan dit oordeel van de Commissie van Beroep in het geval aan (de wijze van totstandkoming van) de uitspraak van de Commissie van Beroep zodanig ernstige gebreken kleven dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ROCvA aan die uitspraak te houden. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Het ontslag is kennelijk onredelijk. Herstel van de dienstbetrekking wordt afgewezen op grond van de omstandigheden van het geval. De schadevergoeding wordt (aanzienlijk) beperkt onder toepassing van artikel 6:101 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken