Rb. Midden-Nederland 16 december 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:6773
Educatieve maatregel gedrag en verkeer, rijgedrag, ambtseed/ambtsbelofte, proces-verbaal, bestuurdersherkenning, deskundigheid verbalisanten. Artikel 130, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, artikel 14, onder a, Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Samenvatting: Oplegging educatieve maatregel gedrag en verkeer o.g.v. mededeling van politie Landelijke Eenheid van 1 april 2016 waaruit het vermoeden volgt dat eiser niet langer voldoet over de vereiste rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, voor het besturen van een motorvoertuig waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het rijgedrag van eiser op 15 maart 2016. Verweerster, het CBR, heeft hierbij verwezen naar meerdere processen-verbaal van een drietal politieduo’s. Politieduo 1, als deskundige verkeerspolitie, stelde de bestuurdersherkenning vast door gebruik te maken van de felle verlichting van de zwaailampen en door expliciet in het voertuig te kijken, waarbij de bestuurder indringend terugkeek. Vervolgens gingen zij naar het adres van de eigenaar van de auto. Eiser werd bij dit adres aangetroffen en één van de verbalisanten verklaarde: “Ik, verbalisant (…), herkende de man als zijnde bestuurder van de BMW welke eerder die avond van ons weg was gereden.” De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan in beginsel uit mag gaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Een proces-verbaal moet dan wel voldoende duidelijk en concreet zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerster in dit geval haar vermoeden dat eiser de bestuurder was van het voertuig op 15 maart 2016 niet op de processen-verbaal kon baseren, omdat deze onvoldoende duidelijk en concreet zijn en daarnaast inconsistent zijn. Zo blijkt uit het p-v van bevindingen van 21 maart 2016 niet waar het voertuig reed toen het gepasseerd werd door politieduo 1 en wat de afstand is geweest tussen de politieauto en het voertuig toen de bestuurder “indringend terugkeek”. De gemachtigde van eiser heeft verder gesteld dat de snelweg op dat tijdstip onverlicht was en het dus pikkedonker was, hetgeen niet weersproken is. Verder is van belang dat verweerster ter zitting een ander standpunt heeft ingenomen dan is verwoord in het bestreden besluit en het verweerschrift, namelijk dat de herkenning heeft plaatsgevonden door slechts één verbalisant van politieduo 1 en dat niet duidelijk is of dit de bestuurder of de bijrijder betreft van politieduo 1. Zo is dus ook niet duidelijk geworden welke verbalisant naar het betreffende adres is gegaan en eiser aldaar, uren later, herkend zou hebben. Evenmin is duidelijk waaraan eiser herkend zou zijn. De processen-verbaal zijn daarnaast inconsistent. Uit het proces-verbaal verkeersovertredingen d.d. 17 maart 2016 volgt dat meerdere verbalisanten eiser herkend zouden hebben. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2016 volgt dat één van de verbalisanten van politieduo 1 met een andere verbalisant naar het adres is gegaan en dat zij beiden eiser hebben herkend als de bestuurder van het voertuig. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2016 volgt dat slechts één verbalisant eiser als bestuurder heeft herkend. Uit het proces-verbaal vordering tot overgifte rijbewijs volgt echter weer dat meerdere verbalisanten eiser als bestuurder hebben herkend.
De uitspraak op rechtspraak.nl