Rb. Midden-Nederland 10 augustus 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4864

Aanvaring van twee schepen in de sluis te Lelystad. Bij de beoordeling van aansprakelijkheid strekt tot uitgangspunt het arrest HR 30 nov. 2001, S&S 2002, 35; NJ 2002, 143‘[naam vaartuig]’/‘[naam vaartuig]’. Bij de uitlegging van het begrip ‘schuld van het schip’ moet worden vooropgesteld dat volgens de art. 8:1004 lid 1 en 8:546 BW geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat, zodat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust m.b.t. door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade. Alleen sprake van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6:169–6:171 BW; (b) een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen. Niet is gesteld noch gebleken dat gedaagde zich ervan heeft vergewist dat de schroeven van het binnenvaartschip in de sluis uit waren alvorens de sluis in te varen. Niet gebleken dat gedaagde voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om bij een mogelijke calamiteit in de sluis schade te voorkomen. Gedaagd heeft zich niet voorzien van assistentie om zijn schip af te houden van andere schepen. Dat had gelet op de beperkte ruimte in de sluis te Lelystad wel op de weg van gedaagde gelegen. Daaruit volgt dat de schuld van gedaagde voldoende is komen vast te staan. Toewijzing vordering eiser..

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen