Rb. Midden-Nederland 16 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4689

Bij besluit van 11 november 2014 heeft verweerder goedkeuring verleend aan de verkoop van 1333 woningen in 10 gemeenten door Stichting Vestia. Drie gemeenten hebben hier bezwaar tegen en hebben een negatieve zienswijze uitgebracht. Verweerder is voorbij gegaan aan deze zienswijzen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een bijzondere situatie. Daarbij heeft verweerder relevant kunnen achten dat de financiële problemen bij Vestia van een ongekende omvang waren (zijn), zonder precedent. Daarnaast moet verweerder motiveren waarom, gegeven de bijzondere situatie, naar zijn oordeel de gemeentelijke zienswijze evident en naar objectieve maatstaven niet in het belang van de volkshuisvesting is te achten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij daarbij een belangenafweging moet maken, waarbij de gemeentelijke zienswijze zwaar weegt. Daarbij heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat hij het belang van de volkshuisvesting als geheel dient af te wegen en niet alleen het belang van de lokale volkshuisvesting. In het besluit heeft verweerder echter een andere toets aangelegd; De vraag of de gemeentelijke zienswijze evident en naar objectieve maatstaven niet in het belang van de volkshuisvesting is te achten is immers een andere dan de vraag of het lokale volkshuisvestelijk belang zich verzet tegen de verkoop. Gelet hierop is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder in het verweerschrift en ter zitting alsnog heeft toegelicht waarom het volkshuisvestelijk belang gediend is met duurzaam herstel van Vestia en de verkoop van de woningen als totaalpakket en waarom de zienswijze van eiseres om niet tot verkoop van de woningen als totaalpakket over te gaan, niet in het belang van de volkshuisvesting is te achten. Voor de rechtbank is aannemelijk geworden dat een faillissement van Vestia grote gevolgen zou hebben voor de gehele corporatiesector. Verweerder heeft verder mogen betrekken dat het gaat om maar een klein deel van het aantal corporatiewoningen in de gemeente van eiseres en dat het grootste deel daarvan ook na verkoop sowieso behouden blijft voor de sociale woningvoorraad, omdat huurmaximalisatie tot boven de liberalisatiegrens op grond van het puntensysteem niet mogelijk is. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat eiseres zelf door middel van een lokale woonruimteverordening kan bijsturen op het beschikbaar blijven van voldoende sociale huurwoningen voor diverse doelgroepen en dat ook de koper gebonden is aan de regelgeving die van toepassing is op de woningsector. (zie ook de uitspraken in zaken UTR 15/1612 en UTR 15/2970)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen