Rb. Midden-Nederland 19 mei 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2742
Betreft omgevingsvergunning voor periode van 1 jaar voor realiseren van tijdelijke losvoorziening ten behoeve van het bouwrijp maken van de Bloemendalerpolder te Weesp. Vergunning is verleend met toepassing artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor. De rechtbank is van oordeel dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden, omdat artikel 4, onderdeel 11 niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd. Dit kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. De normen genoemd in het Besluit Mer en de Wet milieubeheer strekken ter bescherming van milieubelangen, terwijl het belang van eisers een commercieel/bedrijfseconomisch belang is. Dat is evenwel geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen uit de vermelde regelgeving. Dat kan dus niet leiden tot vernietiging van het besluit. Rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voorafgaande aan het besluit ten onrechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Daardoor sprake van gebrek in motivering en dus reden tot vernietiging van het besluit. Rechtbank laat rechtsgevolgen van besluit echter in stand, aangezien uit later ingediend rapport blijkt dat de verkeersaantrekkende werking niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit.
De uitspraak op rechtspraak.nl