Rb. Midden-Nederland 23 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9205
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de officier van justitie in haar vervolging van verdachte (ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten) niet-ontvankelijk is. Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten vijftien jaar en derhalve minderjarig, zodat het jeugdstrafrecht ex artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 70 jo artikel 77d van het Wetboek van Strafrecht bevatten de verjaringsregels van het jeugdstrafrecht. Het onder 1 ten laste gelegde feit is, gelet op de op 1 januari 2006 in werking getreden wijziging van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, verjaard op 23 november 2012, terwijl het onder 2 tenlastegelegde feit verjaard is op 23 november 2008. Geen daad van vervolging heeft deze verjaring gestuit.
De uitspraak op rechtspraak.nl