Rb. Midden-Nederland 4 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8695
Awbz, pgb, intrekking, terugvordering, [zorgverlener] 4:3, 4:48, 4:49 en 4:56 Awb, 2.6.9 Regeling Subsidies AWBZ Samenvatting: Verweerder heeft het aan eiser over 2012, 2013 en 2014 verleende pgb op grond van de AWBZ ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen die behoren bij het pgb. Niet in geschil is dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling Subsidies AWBZ. Ook achteraf kan niet meer worden vastgesteld hoeveel AWBZ-zorg eiser heeft ontvangen van de zorgverlener ([Zorgverlener]). Voor 2012 geldt dat eiser wist dat hij een pgb ontving voor zorg die hij niet kreeg. Voor 2013 en 2014 geldt dat het pgb nog niet was vastgesteld en zelfs nog een controle in het vooruitzicht was gesteld door verweerder. Verweerder was bevoegd tot intrekking. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. De beroepsgrond dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling aan eiser, slaagt niet. Het pgb is telkens overgemaakt aan de bewindvoerder van eiser op een rekening ten behoeve van de bewindvoering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de door eiser aangevoerde belangen geen aanleiding hoeven te zien om af te zien van intrekking en terugvordering. Voor zover door de zorgverlener/bewindvoerder (de zorgverlener was voor een gedeelte van de periode ook bewindvoerder) fouten zijn gemaakt, komt dit voor risico van eiser.
De uitspraak op rechtspraak.nl