Rb. Midden-Nederland 24 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4617

Eiseres heeft een brief gestuurd aan verweerder waarin zij verzoekt om haar aanvraag voor een huisvestingsvergunning in behandeling te nemen dan wel de aanvraag naar het bevoegde bestuursorgaan door te sturen. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De aanvraag om een huisvestingsvergunning is doorgestuurd naar Mitros, omdat de bevoegdheid tot het verlenen van een huisvestingsvergunning op grond van een overeenkomst uit 2010 is gemandateerd aan de voorzitter van de Stichting Woonruimteverdeling Regio Utrecht (SWRU), die weer optreedt als gevolmachtigde van woningcorporaties, waaronder Mitros. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de brief ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaar tegen de weigering een besluit een besluit te nemen. Verweerder had de brief louter als aanvraag moeten aanmerken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het mandaat aan de SRWU niet volgens de regels van artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bekend gemaakt, zodat het mandaat niet in werking is getreden en verweerder zelf had moeten beslissen op de aanvraag. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aanleiding bestaat zelf in de zaak te voorzien door alsnog op de aanvraag van eiseres voor een huisvestingsvergunning te beslissen. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de huisvestingsvergunning onder de Dienstenwet valt, de lex silencio positivo daarom van toepassing is en de vergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank volgt dit betoog niet. Op grond van artikel 2, tweede lid, sub j, van de Dienstenrichtlijn zijn sociale diensten betreffende sociale huisvesting van de werking van de Dienstenrichtlijn uitgesloten, zodat de lex silencio positivo als bedoeld in paragraaf 4.1.3.3. van de Awb niet van toepassing is. Voorts slaagt het betoog van eiseres dat de voorwaarde als bedoeld in artikel 2.2.3. aanhef en onder d van de Huisvestingsverordening in strijd is met het Burgerlijk Wetboek niet. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 december 1986 (WR 1987/41) waar eiseres in dit verband een beroep op heeft gedaan is niet van toepassing, omdat de Afdeling in die zaak had geoordeeld dat bij het nemen van een beslissing over het verlenen van een huisvestingsvergunning de privaatrechtelijke verhouding tussen huurder en verhuurder buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat die verhouding ter beoordeling staat van de kantonrechter. De in artikel 2.2.3. aanhef en onder d van de Huisvestingsverordening opgenomen voorwaarde dat eiseres de eerste gegadigde moet zijn om in aanmerking te komen voor de betreffende woonruimte, heeft geen betrekking op de privaatrechtelijke verhouding tussen eiseres en de verhuurder maar op de bevoegdheid van verweerder om de verdeling van de sociale woonruimte te regelen als bedoeld in de Huisvestingsverordening. De rechtbank concludeert dat de aanvraag van eiseres voor een huisvestingsvergunning dient te worden afgewezen. De rechtbank zal dan ook aldus beslissen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken