Rb. Midden-Nederland 6 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6021

OM niet ontvankelijk door overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn standaardarrest van 3 oktober 2000 als maatstaf heeft geformuleerd dat als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die de lange duur van de behandeling in eerste aanleg zouden kunnen verklaren of rechtvaardigen. De rechtbank is aldus van oordeel dat dit een forse overschrijding van de redelijke termijn betreft en dus een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert. Gelet op alle omstandigheden, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat door het overschrijden van de redelijke termijn een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van de goede procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is te kort gedaan. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen